De sleutels herkend bij anderen

De sleutels uit mijn pelgrimsinterviews blijken ook aan de sleutelbos van andere pelgrims en wandelaars te zitten. In interviews, artikelen en boeken kom ik regelmatig citaten tegen die ik in verband breng met mijn eigen sleutels. Elke wandelaar of pelgrim verwoordt het anders, maar op een diepere laag vertonen de ervaringen veel overeenkomsten.
Als ik zo’n sleutel of sleutelbos van een andere pelgrim of wandelaar vind, neem ik die hieronder met bronvermelding op. Als je zelf sleutelteksten vindt, mail ze dan.
Hieronder vind je citaten van anderen die ik vind passen bij ‘mijn’ sleutelwoorden.
Vertragen
Vaart minderen en wachten zijn voorwaarden om ‘lichaam en ziel weer bij elkaar te brengen’. Wachten is immers de vraag de vraag laten, de druk opzij drukken. Wachten is onthechting, braak liggen, tot leegte bereid zijn. Ophouden met rennen en gas terugnemen zijn een levenskunst. Daarom niet doordrammen zoals een voor-niks-nie-bang-nie-skip, maar stilstaan bij een wacht-een-beetje-bosje! (Ben Verberne msc., in: KNR Bulletin, jaargang 12, nummer 1, maart 2009, pag. 31)
Tijdens wandelen kun je in een trance komen doordat je in een bepaald ritme stapt. Dan wordt je hoofd leeg. Heerlijk. (Hella van der Wijst, in: Telegraaf, bijlage Vrouw, 26 januari 2008, pag. 17)
Veel pelgrims lopen alsof ze in een race zitten om de eindstreep te halen. Ze hebben de weg opgeknipt in dagmarsen, en weten precies hoeveel kilometers ze vandaag gaan lopen, hoeveel bergen ze gaan beklimmen en waar ze gaan slapen. De andere pelgrims hebben als een spiegel voor me gewerkt. Door hen besefte ik: afzien is je eigen keuze. Ik ben 300 kilometer voor Santiago begonnen en heb er vier weken over gedaan. Heel relaxed. Ik wist nooit hoeveel bergen ik moest gaan beklimmen. Ik zag het wel, nam het zoals het kwam en keek mijn reisgids expres niet in. Dus ik besloot niet te gaan voortjakkeren, maar naar mijn ongetrainde lichaam te luisteren en mijn neus achterna te lopen, in te spelen op wat er op mijn pad kwam. En ik besloot dat ik me daar niet voor hoefde te schamen. (Ariena dos Reis Chantre, in Trouw, 26 juli 2007, De Verdieping, pag. 6).
Pelgrim wordt een mens gaandeweg. De tijd moet druppelen om zekerheden los te weken, om harten open te breken, om solidariteit te voeden en deemoed te laten bloeien. (Jeroen Gooskens)
Wandelen is een tempo dat bij ons past. Je ruikt wat bloeit, waar vee loopt. Staat stil bij een slak die oversteekt. Bovendien zijn het hectische tijden. Het is fijn om even te mijmeren, te beschouwen, om de langzaamheid weer terug te krijgen. (Herman Janssen, in: de Stentor, 16 december 2006)
Ik ben nu zeven weken onderweg, maar weet nog steeds niet wat een echte pelgrim is. Wel voel ik dat mijn denken verandert. Je wordt vrijer in je geest. Je wordt bewust van de aarde en de hemel, van licht en donker, van geven en nemen, van broeder-zuster zijn, van solidariteit. Het kan!!! We kunnen vredig met elkaar leven. Dat is mijn ervaring als pelgrim. (Rosita Piek-Lignac, in: Gaandeweg, 275/november 2006, pag. 15)
Waar ga je morgen naartoe? Hoeveel kilometer moet je doen? De veel gestelde vraag. Ik moet niets! Ik ga alleen richting Santiago en heb daarvoor twee maanden de tijd.
Ik voel me soms een ‘andere’ pelgrim.
Ik ga gewoon op weg en weet op voorhand niet hoeveel kilometer ik ga stappen en waar ik ga overnachten. Ik voel in en geniet van mijn tocht.
Ik durf me langs de weg neer te zetten om te mijmeren, naar iets te kijken, wat te tekenen, wat te schrijven… En als ik een mooie plek, of kerk, of klooster tegenkom dan blijf ik plakken. Ik voel me zo vrij, want ik heb alle tijd.
En dan merk ik dit soms bijna 30 km doe en soms minder dan 15.
Ik luister goed naar mijn lichaam en merk dat ik niet moet stappen in het heetste van de dag. En mijn knieën geven mijn grenzen aan.
Ik ben een ‘andere’ pelgrim: rustig, genietend en invoelend.
(Suzy Tratsaert, Sint-Amandsberg, in: De Pelgrim, nr. 85, jaargang 22/juni 2006, pag. 82)
Wandelen gaat gelukkig lekker traag en dat is goed, want langzaam groeit het gevoel en de voldoening in je. Langzaam word je pelgrim. (Klaas van der Poel, in: Jacobsstaf 2006, pag. 67)
Loslaten, stilstaan, verder op weg gaan. Dit toch is de driekwartsmaat die het ritme van de wandelaar bepaalt, deze trits is voor de pelgrim onmisbaarder nog dan staf of schelp. Omzien in verwondering, verwijlen in stilte, kijken waar de weg mij brengen zal. (Jeroen Gooskens)
Om de boel weer op een rijtje te krijgen gaan sommige wandelaars het liefst alleen op pad. Bijvoorbeeld omdat ze zich opgejaagd voelen door het opgelegde tempo van deze tijd. Door het vinden van de juiste cadans tijdens het lopen, bepaal je zelf hoe hard of hoe traag het gaat. Het lopen op zich vraagt geen aandacht en dus kun je je gedachten lekker laten gaan. (Joop van Aert, in: KRO Wandelen, oktober 2006, pag. 8).
Het is geen heldendaad om naar Rome te fietsen. Het is een act van kleine stapjes iedere dag weer. En van discipline om elke dag te fietsen. Ook op een rustdag ! We willen vaak snel resultaat dat niet beklijft. Grote halen, snel thuis, zoals de mannen die in 20 dagen vanuit Amsterdam naar Rome fietsen. Grote halen, snel thuis is zeer on-benedictijns. Accepteren dat fietsen in een rustig tempo kan, brengt je uiteindelijk verder. (Gijs Spiermann, 2006)
Bergen reiken hemelwaarts en bergwandelen is de kunst om die hemelse kanjers tot in je haarvaten te ervaren. Niet door als een bezetene omhoog te stampen, maar door de tijd te nemen. (Jolanda Linschooten, in: Op Pad Extra, bijlage bij Op Pad 1-2006, pag. 22).
De traagheid van lopen brengt je opnieuw in contact met jezelf. Je zintuigen komen in actie, je voelt je lichaam. Door fysiek bezig te zijn, lukt het je meer afstand te nemen van jezelf, van al je gedachten, alle dingen die je ‘moet’, maar ook van je gevoelens en emoties. (Didi Joppe, Het wonder van wandelen, 2006, pag. 23).
Laat (Leonard Nolens, Laat alle deuren op een kier, 2004)
Vertraag.
Vertraag.
Vertraag je stap.
Stap trager dan je hartslag vraagt.
Verlangzaam.
Verlangzaam.
Verlangzaam je verlangen.
En verdwijn met mate.
Neem niet je tijd
En laat de tijd je nemen –
Laat.
Ik heb geen haast, ik heb alle tijd. Dat is wennen. Ik moet het me steeds te binnen brengen. Die eerste dag lees ik een oude franse tekst die me intrigeert om haar wijsheid. Ik schrijf hem helemaal over. “Kost te veel tijd” flitst het door me heen. Dat “ik-moet-opschieten”-gevoel verlaat me niet snel. Ik houd de klok nog lang in de gaten. Wil snel inpakken en vlot vertrekken. Maar ook rust ik vooral in het begin – als de rugzak nog zwaar is – ongeveer ieder uur even. Ik ga intensiever kijken en zie steeds helderder en voel hoe de stilte in me gaat wonen. Het lijkt wel of ik ieder bloempje zie, iedere vogel en de glimlach van mensen ervaar ik als een tedere aanraking. Ik realiseer me hoe “geen tijd hebben” betekent: niet in de tijd te zijn en niet in het hier en nu. Hoezeer wordt ons westerse leven bepaald door snelheid, concurrentie, plicht en vergeten we te leven.
Ik volg in Frankrijk geen uitgezette route. Dat betekent dat ik mee kan gaan met hoe het gaat. Ik heb geen programma, geen afspraken of reserveringen gemaakt. Ik merk dat ik ben waar ik ben. Als dat niet zo is valt me op dat ik tob en energie verspil.
In Spanje moet ik eerst wennen. Er zijn veel mensen, met bijbehorende talen, onderweg. Naar onderdak zoeken hoeft niet, maar de refugio’s zijn dikwijls vol. Er is een beetje een competitiesfeer t.a.v. de afgelegde kilometers. Dat jaagt me op. Ik moet mijn best doen bij mezelf te blijven. (Ineke Leemreize, in: De Heraut, 2003)
Op 27 juni:Met Iseut (uit Zwitserland) kan ik goed lopen. We praten af en toe over onze ervaringen op onze lange tochten. Ook over de moeite om vooral hier in Spanje je eigen weg en je eigen tempo te blijven volgen (…) Iseut werkt als sociaal-pedagoge in een kindertehuis en vertelt over een jongen die zeer, zeer extreem langzaam was, maar de dingen goed deed en prachtig schreef. Op een dag moesten de kinderen zeggen wat ze in de toekomst anders zouden willen. Hij zei: “ik wil het zelfde blijven, want ik ben altijd blij en wil dat blijven”. Ze vertelt dat ze deze weken vaak aan hem heeft gedacht. Langzaam kan niet in onze maatschappij.. (Ineke Leemreize, in: De Heraut, 2003)
Wandelen is gehoorzamen aan de traagheid van de zonnewijzer, gehoorzaamheid aan het ritme van het bloed en niet aan dat van mechanische klokken. Wandelen is het terugvinden van het levensritme van het universum, dat ook het ritme van ons uitademen en van ons hart is. Ritme van karavanen, marskramers en pelgrims. (Michel Jordan, in: Lopen loutert, Over de spiritualiteit van het wandelen, 2003).
Wandelen is een beweging die het lichaam niet uitschakelt, maar inschakelt op een manier die productief is. En dat heeft te maken met het langzame tempo ervan. Zoals de vulpen en de snelheid waarmee die inkt geeft, nodig is om denkend te kunnen schrijven; typen gaat te snel en is ook anderszins een beweging die niet bij denken past, zo hoort wandelen bij het denken. De gedachten komen omdat het lichaam het tempo aangeeft, waarmee ze kunnen komen. (Paul van Tongeren, Over het verstrijken van de tijd, Een kleine ethiek van de tijdservaring, Nijmegen, 2002, pag. 109).
Vereenvoudigen
Toen ik liep, was ik nog vol van de academische promotie: het was achter de rug, en ik was best trots op het resultaat. De eerste pelgrims die we ‘s avonds na de pelgrimsmis ontmoetten moest ik er meteen over vertellen. Hun reactie was: ‘O ja? Wat fijn voor je.’ En dat was het dan: de prestaties uit het gewone leven deden er ineens niet meer toe. Hier was de structuur waar je thuis je plek in verworven had, niet meer relevant. Eerst was het vreemd, maar het pakte uit als een bevrijding: een bevrijding van alles wat je belast en van alles wat je in het leven meesleept. (Thomas Quartier, in: De Jacobsstaf, februari 2010/85, pag. 3).
Ik zonder mij als het ware helemaal af. Nee, daar heb ik geen moeite mee. Ik kan makkelijk een paar weken zonder het nieuws. Sterker nog, het is juist heerlijk om een tijdje ongecompliceerd te leven. (Ferry Mingelen, in: Op Pad, 3 – 2010, pag.43).
Ik was me volop bewust van het schrille contrast tussen de Haagse hectiek en het eenvoudige leven tijdens mijn voettocht. Pelgrimeren is niets meer dan lopen, eten en slapen. Gaandeweg de tocht verlies je uit het oog hoe bijzonder die basale routine eigenlijk is. Eenmaal thuis realiseer je je dat pas weer. In Spanje had ik alleen een mobieltje bij me waarmee ik dagelijks naar huis sms’te waar ik was en hoe het me verging. … Buiten het sms-verkeer bleef ik verstoken van wat er zich in Nederland en de rest van de wereld afspeelde. Het enige contact met de buitenwereld zijn de gesprekken, die je onderweg voert met andere wandelaars. (Ferry Mingelen, in: Op lemen voeten, 2009-4, pag. 7)
Dat zorgeloze bestaan van onderweg zijn, is een soort droomwereld waarin je leeft. Ik voelde me losgesneden van de werkelijkheid, van wat er in de wereld gebeurde. Voor mij was dat heel bijzonder. (Ferry Mingelen, in: ‘te voet’, september 2009, pag. 12)
Op weg naar Santiago de Compostela doorkruis je tussen Burgos en Léon de Meseta, een door iedereen maar niet door God verlaten hoogvlakte die in de zomer schaduw noch water biedt. Terwijl je thuis baadt in nutteloze overvloed, leer je op deze tocht dat je ook toekunt met twee T-shirts. (Erik van Zadelhof, in: NRC Handelsblad, Zaterdag & cetera, 26 en 27 april 2008, pag. 31)
Eenvoud is er een thema waar je niet langs kunt. Al je hebben en houden in een rugzak. Gelukkig zijn met de twee kubieke meters die je aangeboden wordt om te slapen (d.i. in het beste geval een matras onderaan of bovenaan een stapelbed). Eten wat je kan vinden of krijgen, de ‘rijke’ pelgrimsmenu. Ik heb me vaak een ‘rijke stinkerd’ gevoeld als ik door de dorpjes kwam en de tiendas zag. We hebben zo weinig nodig om gelukkig te zijn. (Suzy Tratsaert, Sint-Amandsberg, in: De Pelgrim, nr. 85, jaargang 22/juni 2006, pag. 88)
De populariteit van wandelen is deels te verklaren doordat het leven nu zo vluchtig is. En ik denk dat mensen weer op zoek naar het gewone. Het zit ‘m in heel gewone dingen. Dat mensen weer steeds vaker thuis gaan koken voor vrienden bijvoorbeeld. Mensen zijn op zoek naar echte en eenvoudige dingen. De wereld is zo onoverzichtelijk geworden. Irak, Afghanistan, de hele wereld komt bij ons binnen, we moeten overal een mening over hebben en ons overal mee bemoeien. Ik denk dat het de tendens is dat we die wereld een beetje willen verkleinen. Het overzichtelijk houden en weer terug naar het echte. We willen weer dat het huis naar eten ruikt, in plaats van dat we een fantastisch mooie keuken hebben waar nooit in wordt gekookt. Wandelen hoort daar ook bij. Niets is zo simpel als wandelen. Het kost niets, is supergoed voor je figuur en de rust in je kop. (Hella van der Wijst, in: Telegraaf, bijlage Vrouw, 26 januari 2008, pag. 16 en 17)
Voordat ik op reis ging was ik best een beetje zweverig. Misschien zocht ik wel Verlichting, Openbaring van het Geheim van het Leven. Ik ging te rade bij boeken over boeddhisme, hindoeïsme, islam en katholicisme. Ik verdiepte me in nieuwe spiritualiteit – aura’s, chakra’s, reïncarnatie en positief denken. Ik was voortdurend aan het vragen, maar in plaats van antwoorden te krijgen, vermenigvuldigen de vragen zich alleen maar. Ik was daar volkomen door gefrustreerd geraakt.
Dankzij het relaxte wandelen ben ik broodnuchter uit Santiago teruggekomen. Niet dat ik helemaal ben opgehouden met het stellen van levensvragen. Ik heb er nu alleen het volste vertrouwen in dat ik er op een gegeven moment antwoorden op vind die bij mij passen. En dat ik ondertussen van het leven mag genieten. (Areina dos Reis Chantre, in Trouw, 26 juli 2007, De Verdieping, pag. 6).
Zelf ben ik heel wat op pelgrimstocht geweest: als kind naar de Zoete Lieve Vrouw, naar Lourdes, naar de Berlijnse muur, naar Waterloo, naar Stonehenge en te voet naar Santiago en naar Rome en nog verder. Prachtige tochten, dwars door Europa, door de wisseldende natuur, door de historie, ontroerende ontmoetingen met mensen, ontmoetingen met jezelf. Langzaam raak je los van je dagelijkse beslommeringen en anavraad je de nieuwe werkelijkheid om je heen, je nieuwe bestaan als pelgrim. Als wandelaar ga je eenvoudiger leven, van moment tot moment en je gaat je verheugen in de kleine vreugden van de dag, een stuk brood, helder water, koele schaduw, de zon, je lichaam, je eigen prestaties, de weg. (Klaas van der Poel, in: Jacobsstaf 2006, pag. 66 en 67)
Na tientallen jaren werk te hebben gedaan waarbij dikwijls grote belangen betrokken waren, was de tocht een geweldig middel om mijn hoofd leeg te lopen. Mijn opmerking naar mensen ik dat de tocht als een scheiding in mijn leven zag, is werkelijkheid geworden. Mensen in mijn directe omgeving zien dat ik een andere mens ben geworden. Of misschien de mens ben gebleven die ik voor die tijd was, maar die later door het werk is ge/misvormd tot de acteur die ik jarenlang ben geweest. (Willem Bezemer, juni 2007)
Tot de belangrijkste vruchten van een pelgrimage behoren instemmende knikjes bij zegswijzen uit grootmoeders tijd. Iedere hedendaagse pelgrim moet niet het wiel opnieuw uitvinden, maar wel het weer ontdekken. Mijn leven van alledag is uiterst eenvoudig. Ik ben op weg; dat is het. Misschien kom ik zo wel dichter bij de dingen die er echt toe doen. (Hans Annink, geciteerd in: VolZin, 23 februari 2007, pag. 17)
Wat ik onderweg vooral leerde was om bij het moment te leven. Was ik in het begin nog gericht op de eindbestemming van de dag, gaandeweg leerde ik dat het lopen belangrijker is dan het aankomen. Het ene moment loop je fluitend, het andere moment vermoeid. Je daaraan overgeven, leven met wat er is, dat was een bevrijding. (Leon van der Meer, geciteerd in: VolZin, 23 februari 2007, pag. 14)
Met moeite zetten mijn hersenen zich in beweging. Mijn ogen gleden langs het eenpersoonsbed, bleven even haken aan de wastafel met aparte kraan voor warm en koud water, maar dat was het enige dat er gebeurde. Ik had die hele dag simpelweg niet gedacht! Toen vond ik dat een beetje merkwaardig, maar later wende ik eraan en uiteindelijk ben ik eraan verknocht geraakt. Een tijdlang aan niks denken is het meest verfrissende wat een mens tegenwoordig kan doen. Bevrijding van gedachten, en gratis voor niks. (Herman Vuijsje, in: de Jacobsstaf, 2003, nummer 60, pag. 159)
Orden de tassen, de tent en de tijd.. reis licht, leef met minder, veel minder. (Gijs Spiekermann, 2006)
De regelmaat van de tijd, de structuur van de dag, die erg eenvoudig is, doen mij gewoon heel erg goed. (Gijs Spiekermann, 2006)
Leven in de eenvoudige cadans van iedere dag trappen, en dat honderdduizenden keren de trappers rond, in de natuur is zo goed voor mij. (Gijs Spiekermann, 2006)
Als ik in de avond voor mijn tentje zit, ben ik leeg. Gewoon helemaal leeg. In die leegte ben ik oneindig gelukkig. De zorg voor de fietser bestaat er uit om te zijn, waar hij op dat moment is, met volle aandacht, alertheid, en ……………..in dankbaarheid. (Gijs Spiekermann, 2006)
Ik deelde een nacht een piepklein kamertje in een Emmaüshuis, waar de allerarmsten worden opgevangen. We praatten wat. Ik zei dat ik het dorp ging bekijken en dat ik iets te eten mee zou brengen. Maar dat hoefde niet, want ze kregen altijd restjes van de slager en de bakker. Toen ik terugkwam, zaten ze daar weer. Maar die blik in hun ogen! Als ik ooit een goddelijke ontmoeting in mijn leven heb gehad, dan was het in de ogen van die twee kerels. Ze hadden een grote schaal opgemaakt met hardgekookte eieren en stukjes tomaat. Ik zag dat die eieren met wel heel smerige handen gepeld waren. Thuis had ik het zo weggegooid, maar hier heb ik het met plezier opgegeten. Zulke ervaringen hebben zich vastgezet in mijn hele wezen. (Hans Andreoli, in: Vier! Pinksteren 2006, pag. 50)
Het gaat mij juist om het lopen. Het gaat om stappen zetten, stappen zetten in je leven. En dan nog zo gelukkig zijn om als een soort clochard te leven, want ik wilde het zo eenvoudig mogelijk doen. Van de Gooise wereld met alle luxe en veelvoud trad ik in de wereld van de eenvoud. Van de luxe zakenhotels naar de slaapzalen in de Spaanse refugio’s, de herbergen voor pelgrims. Met tientallen mannen en vrouwen in stapelbedden op een zaal. Gesnurk en gekraak. Na de eerste keer denk je: dit doe ik niet meer. Maar na een paar keer wil je niet meer anders. (Hans Andreoli, in: Vier! Pinksteren 2006, juni 2006, pag. 49)
Voor mensen die zo luxueus leven als ik, zijn ervaringen als deze de lessen om weer gewoon met je voeten op de grond te komen. Dan kun je tot de conclusie komen dat je die tweede auto niet meer wilt kopen. Omdat je hem gewoon niet nodig hebt. Waarom zou je? Om eens te laten zien dat je…. Ik hoef niet meer te laten zien. Het is ‘zijn’ in plaats van wat je zou willen zijn. (Hans Andreoli, in: Vier! Pinksteren 2006, juni 2006, pag. 50)
Toen ik na dat zware stuk in Le Puy aankwam, waren alle slaapplaatsen voor pelgrims bezet. Ik kwam langs een huis met een schelp boven de deur en belde aan. Die lieve mensen gaven me een mooie kamer en heerlijk eten, een echt onthaal. Ik zag eruit als een zwerver en de vrouw des huizes bood aan om al mijn vuile kleren te wassen en te drogen. Zo zie je dat er toch voor je gezorgd wordt. Ik heb meer van zulke ervaringen gehad. Engelen bestaan. Ze zijn onder ons en vaak zijn het de eenvoudigste mensen die het meeste geven. Een man als ik.. die dacht dat met geld alles et koop is. Er is niks met geld te koop. Niet de dingen waar het echt om draait en die zo’n intens geluksgevoel geven. (Hans Andreoli, in: Vier! Pinksteren 2006, pag. 50)
Maar ga je iets verder weg van de bewoonde wereld, dan ontsnap je wel aan een heleboel prikkels. Mensen om je heen, je werk, het verkeer, de krant, muziek, reclame… het zijn allemaal wervelwinden die aandacht verslinden. Als het je lukt om tijdens de wandeling je hoofd leeg te maken, kun je even met volle aandacht in je eigen leven staan. (Joop van Aert, in: KRO Wandelen, oktober 2006, pag. 8).
Onderweg met tien kilo bepakking. Het was zwaar, moeilijk en ver. Nu heb ik weer een huis vol spullen. En iedere dag heimwee… (José Vercoulen, in: Lopende zaken, nummer 32, juni 2005, pag. 4)
Leven met aandacht geeft ook aan de tijd en aan het ‘nu’ betekenis. Wie iets met aandacht doet, denkt niet aan straks, haast zich niet. Aandacht maakt bovendien iets of iemand bijzonder, het heft de onverschilligheid en de vanzelfsprekendheid van dingen op. De kleine prins besteedde tijd aan zijn roos. Dat maakte die roos belangrijk en dus werd de tijd die hij aan de roos besteedde, belangrijk. Ik neem ergens de tijd voor, zeggen we, ik geef jou mijn tijd. Tijd en aandacht zijn zo goed als synoniem, en gegeven tijd wordt belangrijke tijd. Die verlies je niet. Sterker nog, wie – vrij naar de evangelist Johannes – de tijd voor zichzelf houdt, zal hem verliezen. (Agnes Grond, in VolZin, jaargang 3, nr. 5, 27-2-2004, pag. 12)
Alle schijnzekerheden van thuis zijn weg, je dagelijkse ritme ook. Het gaat om je eigen geest, je lichaam en je rugzak, want dat is je huis. Alles moet uit jezelf komen. Ook naar anderen toe. Je bezittingen, je studie, je carrière: het zegt daar allemaal niets. Dat is heel verhelderend. (Marc Steeman, in: De Telegraaf, 26 juni 2004, pag. T17).
In het begin heb ik heel wat afgemopperd. Ik stoorde me aan het gebrek aan comfort, aan het eten, of beter gezegd, aan het niet eten. Maar gaandeweg kwam er een enorme rust en kalmte over me heen. We kwamen vooral in Frankrijk door ruige, verlaten gebieden, prachtig. Je gaat alles nemen zoals het komt: is er iets te eten dan is het mooi, is er een avond geen eten, nou jammer dan. Voortaan maar zorgen dat je altijd een broodje met kaas bij je hebt. (Leo Baeten, in: De Telegraaf, 26 juni 2004, pag. T17).
“Alles wat je thuis laat is meegenomen” is een motto van de Jacobsvereniging. Het is waar in meer dan één opzicht. Alles wat je meeneemt verzwaart je rugzak, maar ook maakt alles wat je thuislaat het bestaan eenvoudiger en transparanter. Het blijkt dat ik heel weinig nodig heb. Alles wordt op één gericht (zo omschrijft Bernard Besret het woord monastiek, lees ik later), op voortgaan en zijn. Het dagritme is een-voudig en iedere dag eender, het eten simpel, de stap werkt als een mantra en brengt me diep in mezelf. Zet wandelen de geest in beweging? Of laat het wandelen de geest in zijn eigenlijke ruimte verkeren? Vrienden schrijven mij: Je hebt nu veel tijd om te denken. Ik betrap me erop dat ik niet veel denk. Dat gedachten gaan en komen, zoals wolken aan de hemel verschijnen en overdrijven. Precies zo als ik het tijdens meditaties dikwijls moeizaam heb nagestreefd. Alle zintuigen staan open. Ik zie als nooit tevoren, ruik beter, voel meer. Ik ervaar “aanwezigheid”, zoals die dichterlijk wordt omschreven in psalm 121 en zing de psalm vaak ongemerkt. Flarden gaan mee als een mantra. Het gewone wordt bijzonder en het bijzondere gewoon.
Een eenvoudige maaltijd ervaar ik vaak als een geschenk en het in mijn eentje zitten aan een gedekte tafel als rijk. Ontmoetingen ontroeren dikwijls. Er zijn veel momenten van grote dankbaarheid. Maar de andere kant is er ook: loslaten telkens weer, afscheid nemen van mensen bij wie ik me thuis voel en de angst toelaten die dat – soms even – meebrengt. (Ineke Leemreize, in: De Heraut, 2003)
Imkamp wandelt liever. Dat is de beste gelegenheid om de wereld achter je te laten en jezelf en datgene wat er echt toe doet te ontdekken. … Je wandelt uit de beschaving. Je pakt wat je nodig hebt in je rugzak. Het leven is een stuk aantrekkelijker zonder onnodige ballast. Het versimpelt het leven enorm. Het is bijna een zuiveringsritueel. (Sef Imkamp, in: Trouw, 22 september 2003, pag. 10).
Langzaam aan wen ik aan het perspectief van één dagreis, met als noodzakelijke ingrediënten drinken, voedsel en een plek om te overnachten. Als dit je gegeven is, dan tellen andere zaken meer als bijkomstigheden (bijv. hoe de voeten voelen). (Jaap van der Velde, in: Frappant, maart/april 2003, pag. 12).
We raken elk gevoel voor tijd kwijt. Het verleden vervaagt is niet belangrijk. Dat is, ook letterlijk, een verademing. De toekomst is niet meer dan één dag van je verwijderd. We leven uitsluitend in het nu. Gaan we nú eten, nú slapen, nú wassen, nú wandelen? Het genieten van bloemen, planten, dieren en landschappen onderweg verdrijft de gedachten aan later, dwingt je tot kijken en luisteren. Je bent bezig met tijd en afstand maar vergist je in beide: dingen zijn verder dan je denkt, het duurt lang eer je ze bereikt. Dat houdt in dat je moet leren om alles maar te nemen zoals het is. (Pauline Driessen, in: Noveau, juli 2001, pag. 116).
Al wandelend wordt alles betrekkelijk, ik heb geen plannen meer en geen zorgen, ik zie wel. Ik geniet van de zon en ik zie hoe mooi de wereld is kort vóór of n een bui. Niets hoeft, alles valt op de goede plek. Mijn geluksemmer is steeds half vol, nooit half leeg. Ik heb niets meer te wensen. … Geen zorgen, geen plannen, geen gedachten, alleen de cadans van mijn stappen op het ritme van mijn ademhaling. (Jeroen Gooskens, in: Op Lemen Voeten, ’99-2, pag. 15 en 16).
Verdichten
Mijn baan bij Vodafone verveelde, ik woog 115 kilo, ik wilde weg. Vroeger zei ik dat iemand die de wereld rondfietste gek was. Nu heb ik er bewondering voor. Hij durft te kiezen. Dat heb ik ook gedaan. Ik voel me nu sterker. (Italiaanse pelgrim Roberto Rivoira (25), in: De Volkskrant, 10 juli 2010, Reizen, pag. 4)
Al lopende ontdekte ik dat ik helemaal niet hoef te weten wat ik precies wil. (Ariena dos Reis Chantre, in Trouw, 26 juli 2007, De Verdieping, pag. 6).
Onderweg kwam ik eigenlijk steeds één ding tegen: mezelf. Alles wat er in mijn leven gebeurd is, kwam bovendrijven, en op een of andere manier voegden alle dingen zich onderweg ook weer samen. De hele tocht is voor mij een weerspiegeling van mijn leven geworden. Een miniatuur. Met een moeilijk begin; gevolgd door een mengeling van positieve ervaringen en dwalingen en verwarring. En in de tweede helft de ervaring van de wonderlijke blijmoedigheid. Alsof je een blik wordt gegund op de loop van je leven – die je later weer op kunt roepen, en waardoor je weet: ‘Zo moet ik me gedragen, dan voel ik me goed. En dit en dat is fout. En ja, zo ben ik echt.’ (Hape Kerkeling, in: VA-magazine, 2007-2, pag. 10 en 11).
Mijn pelgrimstocht heeft mij het inzicht gebracht dat het leven een kostbaar goed is, dat je bewust moet zien te leven.
Er wat goeds van zien te maken, met name voor anderen voorzover binnen mijn vermogen. (Richard Lichtendahl, juni 2007)
Ik wilde op adem komen, mijn hoofd ontdoen van alles wat er in de loop der jaren was aangeslibd. Verwerken wat er in mij leven anders is gegaan dan ik gehoopt had, ook binnen de kerk die ik dien als pastor. Een woord van Augustinus werd even mijn leidraad: “Onrustig is mijn hart, tot het rust vindt in U o Heer.” ….. Nee, het is geen volkomen nieuwe ervaring geweest. Ik heb onderweg geen Christus of een engel in een visioen zien verschijnen, een brandend maar niet verterend braambos gezien of een wonderlijke genezing mogen meemaken. Maar alles wat ik al kende heeft zich verdiept, het was intenser, de prachtige ervaringen van rust, natuur, pracht en kleuren, maar ook de schaduw van mijn ziel, de onrust, waarin het jongetje van vroeger nog altijd aanwezig is. Ik heb gebeden, psalmen vooral genoten en gejankt. (Hans Schoorlemmer, in: titel krant of weekblad in regio Zwolle mij niet bekend, 25 november 2006)
Een belangrijk onderdeel van mijn “dagopening” is het tellen van mijn zegeningen, dankbaar zijn voor de manier waarop ik mijn bestaan kan invullen. (Willem Bezemer, juni 2007)
Mijn pelgrimstocht was voor mij een pas op de plaats. Ik wilde nadenken over waar ik stond in mijn leven en wat ik wilde. Dat nadenken moet je vooral niet agenderen. Als ik me voornam om na te gaan denken over bijvoorbeeld ‘God en ik’, was ik het na één minuut al weer kwijt. Op andere momenten kwam het spontaan op. Ik heb zo toch wel een aantal dingen helder gekregen. Na mijn pelgrimstocht veranderde ik van baan en dat was niet toevallig. (Leon van der Meer, geciteerd in: VolZin, 23 februari 2007, pag. 14)
Ik kreeg opeens de ruimte in mijn hoofd om heel zuiver te overdenken wat ik wilde gaan doen na school. (Nicolette Wassenaar, in: De Telegraaf, 26 juni 2004, pag. T17).
Toen Leo aankwam in Santiago waren zijn problemen thuis niet opgelost. Wel was hij te weten gekomen waar zijn prioriteiten liggen in het leven: Bij mijn vrouw en mijn kinderen, die zijn echt belangrijk. Belangrijker dan mijn werk. Over dat doorgedrongen besef heb ik na afloop ook een videofilm gemaakt, ‘Onderweg naar mezelf’. (Leo Baeten, in: De Telegraaf, 26 juni 2004, pag. T17).
Flarden levensweg gaan aan mijn geestesoog voorbij. Het heden en het verleden lijken soms te versmelten. Verdriet om wat anderen onder mijn levensbeslissingen te lijden hadden. Niet zozeer gevoelens van schuld zoals bij de middeleeuwse pelgrim. Wel het besef dat het leven een proces is van worden wie je bent en dat dat soms hevige pijn doet voor jezelf en anderen. (Ineke Leemreize, in: De Heraut, 2003)
Er kwamen verscholen kanten van mijn persoonlijkheid naar boven, bijvoorbeeld een haat jegens de anderen die ik niet bij mezelf verwachtte. (Sef Imkamp, in: Trouw, 22 september 2003, pag. 10).
In het pelgrimsboek schreef ik: ‘Het pelgrimsgevoel is over ons gekomen. Wij voelen ons gezuiverd naar lichaam en geest. Wij kunnen zo eindeloos doorgaan, zolang onze voeten ons willen dragen’. Toen ik dit later in mijn verslag teruglas, vond ik de tekst wat geëxalteerd, maar destijds had ik er een goed gevoel bij. Op de een of andere manier had ik echt de ervaring een kostbaar verworven nieuw ‘ik’ met mij mee te dragen, waar mijn rugzak een integrerend deel van uitmaakte. Het voelde nog ‘broos’ aan, reden temeer om het als een baby te koesteren. (Richard Lichtendahl, 4 juni 2002)
Ik word begrijpend, voel me zeer met iedereen verbonden, incluis met mijzelf. Ik durf te zien wat de spiegel van de stilte me vertelt. Het maakt me eerlijk. Ik zie mijn schaduwkanten en ontwijk ze niet. Soms komt er verborgen verdriet omhoog. Ik leer wat het is om mezelf te accepteren, met mijn hele geschiedenis. Dat geeft me een vrede die van elders komt. Het is een groot geschenk. (Ricky Rieter, in: Open Deur, mei 2001, pag. 5).
Parallel aan het lopen maakten we immers ook een reis door de ziel. Het lopen was verweven met innerlijke belevenissen, de Camino is zoals een weg die je aflegt als een proces dat zich afspeelt in jezelf. (Pauline Driessen, in: Noveau, juli 2001, pag. 117).
Loslaten
In het begin ben je nog vooral bezig met de volgende slaapplaats. Haal ik het wel? De structuren raak je kwijt. We zien wel. Zo denken, alles loslaten, was heel bevrijdend. ((René Beltjens, in: De Volkskrant, 10 juli 2010, Reizen, pag. 4)
Voor mij is wandelen de ideale manier om even van de dagelijkse hectiek los te zijn. Ik werk iedere dag aan het front van de politieke journalistiek Dan is het fijn om af en toe even in het achterland op adem te kunnen komen. (Ferry Mingelen, in: Op Pad, 3 – 2010, pag. 43).
Je gooit onderweg veel ballast overboord. In het begin ben je nog gehaast en heb je nog een privédomein. Maar al slapend in slaapzalen met soms wel 150 man, die snurken en scheten laten, valt dat privé weg en komt er saamhorigheid voor in de plaats. (Sedat Cakir, in: Trouw, 31 mei 2007, De Verdieping, pag. 7).
Loslaten, stilstaan, verder op weg gaan. Dit toch is de driekwartsmaat die het ritme van de wandelaar bepaalt, deze trits is voor de pelgrim onmisbaarder nog dan staf of schelp. Omzien in verwondering, verwijlen in stilte, kijken waar de weg mij brengen zal. (Jeroen Gooskens)
Het overkwam me: gehurkt onder mijn poncho moest ik een zware stortbui over me heen laten komen. Dat was zó‘n intense belevenis. Dit en de andere onverwachte dingen die je pad soms letterlijk kruisen leert je de dingen te nemen zoals ze komen(Hans Schoorlemmer, in: titel krant of weekblad in regio Zwolle mij niet bekend, 25 november 2006)
Samen op weg, elkaar ontmoeten en achterlaten (vaak voorlaten voor mij). In elk geval loslaten. (Suzy Tratsaert, Sint-Amandsberg, in: De Pelgrim, nr. 85, jaargang 22/juni 2006, pag. 87)
In het begin is afzondering zeer bedreigend. Reizend in een overvolle trein kun je de weg niet kwijt raken. (of ook wel?) Maar wat als je alleen op de fiets zit, in een onbekend land, waarvan je de taal niet spreekt en de weg niet kent. Er blijft weinig anders over dan de weg te vragen ! Verlies van aanzien en van status is het gevolg. Dat doe je toch niet. Maar de weg vragen leidt voor mij tot ongekende ervaringen. Mensen die met je oprijden, even wachten, of die je drie kilometer verderop weer tegenkomt om te checken of je wel op de goede weg zit. Zo letterlijk gaat dat dus. Een voor mij ongekende betrokkenheid. Of wilde ik het altijd alleen ontdekken en ervaren. (Gijs Spiekermann, 2006)
En na een paar dagen gaan je zintuigen helemaal open, ook je zintuigen van binnen, dan kun je ook je innerlijke reis maken en sensitief worden voor wat er binnen gebeurt. Je krijgt ruimte om na te denken, je laat je dagelijkse beslommeringen achter je. Ik heb op een van die tochten twee weken lang geen winkel gezien.
(Luc Blommers, in: Vier! Pinksteren 2006, juni 2006, pag. 66)
Ik heb tijdens mijn voettocht ervaren dat binnen een fractie van een seconde mijn hele bedachte toekomst compleet kon veranderen door een subtiel detail. Daar let ik nu op en neem ik mijn verantwoordelijkheid in. Dat is gewoon heerlijk genieten. (Jurgen Steeman, in: Trouw, de Verdieping, 18 maart 2006, pag. 8)
Het is een hele kunst om al dat moeten los te laten. Je over te geven aan wat er gebeurt en aan wat er op je weg komt. Het ene moment ben je vitaal, een volgend moment doodop. En omgekeerd. Je bent bedroefd en dan weer eens blij. Je voelt je verbonden en op andere momenten weer heel erg alleen. En dat alles is goed. Je wordt heel erg geconfronteerd met het feit dat je leven niet maakbaar is. Je wilt het anders hebben, mar het is zoals het is. … Momenten zijn het meer niet, je kunt niets vasthouden. Overigens heeft deze overgave aan het leven niet met apathie te maken (Leon van der Meer, in: Open Deur, mei 2001, pag. 9).
Thuis zal ik weer ondersneeuwen in de buien van het dagelijks leven, ik zal meedoen in de dagelijkse dans van zorgen en opwinding om niets. Maar toch zal deze tocht zijn sporen nalaten, daar ben ik zeker van. Ik ben zó losgeraakt, dat een litteken van onthechting voelbaar zal blijven. (Jeroen Gooskens, in: Op Lemen Voeten, ’99-2, pag. 16).
Verstillen
Tijdens een stille wandeling, dan gebeurt er iets… Als je echt stil bent, daal je vanzelf af in jezelf. Veel mensen vinden dat eng dus daarom praten ze maar. Maar door stilte kom je juist op andere gedachtes. Het is de snelweg naar jezelf, zeg ik altijd. (Hella van der Wijst, in: in VARA-gids, 4 /m 17 juli 2009, pag. 169)
Op een gegeven moment was de gedachtenstroom ineens weg. Je loopt alleen nog maar in stilte. De gewaardwording dat alles één wordt: je adem, je voetstappen, de wind, het gezang van de vogels, het wuiven van het graan en de koelte op je huid. Een bijzondere ontdekking was ook dat ikzelf niet verdween met het stoppen van het denken. Ook al denk je niets, je bent er nog wel. (Hape Kerkeling, in: VA-magazine, 2007-2, pag. 12).
Niets is zo mooi als de stilte. Geen radio, tv, gsm, krant die de omgevingsstilte maar ook de innerlijke stilte verstoren. Weinig prikkels van buitenaf. En dat acht weken lang. In het begin de felle gesprekken met mijn ex in mijn hoofd. Er moet nog heel wat uitgewerkt worden Na zes weken wordt het pas echt stil van binnen. Ik adem dieper, neem intenser waar en voel me meer ontvankelijk en kwetsbaar. (Gijs Spiekermann, 2006)
Het is zeker zo dat in de stilte anders wordt waargenomen dan in de hectiek van alle dag. In de stilte heerst zuiverheid. En volgens mij de ultieme waarheid. (Gijs Spiekermann, 2006)
Koester de stilte en de afzondering voor langere tijd, hoe pijnlijk dit soms kan zijn. (Gijs Spiekermann, 2006)
Stilte is een cruciaal onderdeel van bewust wandelen. We zijn zo gewend geraakt aan het lawaai van het dagelijkse leven dat de totale stilte behoorlijk eng en confronterend kan zijn. Maar het zorgt er ook voor dat je je eigen innerlijke stem weer kunt horen. Vervolgens is het de kunst te leren luisteren en alles uit te schakelen wat niets met het hier en nu te maken heeft. “Je kunt in het bos wandelen en bedenken wat je vanavond gaat eten”, zegt Van Galen. “Maar je kunt ook in het bos wandelen, stap voor stap je voeten neerzetten, om je heen kijken en echt in het nu zijn. Dat dan merk je vanzelf dat het hoofd leeg wordt en zul je die bijzondere ‘alles-is-goed-ervaring’ krijgen.” (Arianne van Galen, in: Vier! Pinksteren 2006, juni 2006, pag. 32)
Volgens mij is diefstal van stilte de meest voorkomende vorm van kleine criminaliteit. (Koos van Zomeren, in: Trouw, 3 juni 2006, de Verdieping, pag. 9).
Wanneer je zwijgt, krijg je weer oog voor de omgeving. Je moet ook proberen het verkeer tussen je oren stil te krijgen. Herhaal dus in- en uitademend de ‘adem-licht-mantra’. (Leo van Veghel, in: Trouw, 7 augustus 2004, pag. 12).
Op 10 juni: Door het landschap, de wind en de rust werkt het beeld van de stilte op me in. Gisteravond las ik iets van meester Eckhart. Notabene uit de 13e eeuw. Het werkt in me….“wie op alle plaatsen thuis is, die is het goddelijke waardig, wie in alle tijden één blijft, dien is God tegenwoordig en hij in wie al het geschapene tot zwijgen is gekomen, in hem baart God zijn eniggeboren zoon.” (Ineke Leemreize, in: De Heraut, 2003)
Er wordt weinig gepraat als je loopt, je bent helemaal geconcentreerd op de weg en op je voeten. Je loopt als een ‘leeghoofd’, met juist heel weinig gedachten. (Pauline Driessen, in: Noveau, juli 2001, pag. 112).
Verwondering
Ik had problemen op mijn werk, ik moest afstand nemen. In het begin viel het zwaar tegen. Ik wist niet dat voeten zo zeer konden doen. De magie van de tocht zat in de ontmoetingen met anderen. Iemand vertelde me een verhaal waarin een oude wijze pelgrim een jongeman ontmoet die net zo wijs wil worden als hij, door ook duizenden kilometers te gaan lopen. Maar de wijze man zei: ga naar huis en heb uw familie en vrienden lief. Pas dan ben je een goede pelgrim. Ik wordt nog emotioneel als ik eraan terugdenk. Ik ben nu hier, maar weet dat mijn camino pas begint als ik thuis ben. (Duitse pelgrim Gabriele Schach (48), in: De Volkskrant, 10 juli 2010, Reizen, pag. 4)
De onderlinge verbondenheid van de pelgrims maakte in het begin diepe indruk op me. Dat je je camera of telefoon ergens kunt laten liggen, en hij er nog ligt als je terugkomt. Heel fijn. Ik kom uit Amsterdam, en als ik daar in een café ben en naar de wc wil, neem ik al mijn spulletjes mee. Al heel snel was ik gewend aan de eerlijkheid en vond ik het niet meer dan normaal dat je niet op je spullen hoeft te letten. (Ariena dos Reis Chantre, in Trouw, 26 juli 2007, De Verdieping, pag. 6).
Plots…
Sta je temidden van de schapen en loop je daarna een tijdje door de schapenkeutels. Dat je temidden van de koeien van Gallicië en loop je daarna…
Ben je aan het pootje baden in de rivier en staat daar plots een koe naast jou.
Loop je eindeloos door de vlakte, de helling op en zie je plots een dorp aan je voeten liggen.
Je ontbijt en als je wil verder gaan merk je plots dat je aan de rand van een stuwmeer zit.
Plots hoor je Nederlands praten, en ben je blij dat je weer even je moedertaal kan spreken.
Plots een fietser die langs je scheert.
En op een lange, hete tocht door het bos heb ik plots een fata morgana: daar staat een kampeerwagen met frisdrank, kokjes en een vriendelijke Engelsman die graag een praatje maakt.
Of kom je in de droge Meseta plots en groen refugio tegen mét zwembad!
Plots een konijn voor je voeten, en nog één, en nog één en wel 50.
Een verdwaalde zonnebloem langs de weg.
In ‘niemandsland’ tussen de velden plots een oude houten wegwijzer: Santiago 342 km.
Een regenboog bij het binnenstappen van León.
Na drie uur stappen plots een huis zien of een kerktoren.
Honderden houten kruisjes langs de weg, of al die ‘steenmannetjes’ waardoor ik me zo verbonden voel.
Plots een rare geur in het bos: de eerste eucalyptusboom.
Ik ben vaak verrast geweest.
(Suzy Tratsaert, Sint-Amandsberg, in: De Pelgrim, nr. 85, jaargang 22/juni 2006, pag. 86)
Verwondering: een belangrijk woord als je op reis bent. Ver van het gewone; wat gauw sleur dreigt te worden; ontdek je de waarde van nietige zaken die er nu juist toe doen: een fontein die koel, helder water laat stromen. Om niet een helling met gras waar je even kunt uitrusten. Psalm 84 vertelt ons dat de pelgrimsweg in het hart zit: Gelukkig de mensen die sterk zijn in U, met de pelgrimsweg in het hart. Gaan zij door de laagte van dorre woestijngrond, een oase scheppen zij daar …(6,7). Verlangen zet de reizigers op weg. Vertrouwen, vriendschap veranderen de dorre, onherbergzame gronden in een oase. (in: Stad Gods, Op weg… Onderweg, november 2005, 72e jaargang, nr. 3, pag. 36).
Dikwijls ben ik me bewust van een durend verlangen in me wanneer ik loop door het landschap en van einder naar einder trek. Dat verlangen is niet het gevoel dat alles beter zou zijn “als” het niet regent, “als” ik meer geld zou hebben, “als” …(vul maar in..) Het is het verlangen naar een steeds dieper besef van het hier en nu, dat het leven een-voudig maakt. Het is verlangen naar wat achter en in de diepte van de dingen aanwezig is. Niet in het buitengewone, maar het gewone dat iedere dag brengt aan verwondering om wat er is. (Ineke Leemreize, in: De Heraut, 2003)
Soms zie ik de weg nog voor me; de moeilijkheden, de fijne momenten, de ontmoetingen. De foto’s kijk ik amper. Maar vooral de verwondering komt bovendrijven, de verwondering dat ik dat allemaal heb gelopen, dat een mens als ik zo in staat is geweest zijn grenzen te verleggen. Mijn lichaam is nu verzwakt, maar de weg is in mijn ziel gesneden. (Lisette Zurlohe, in: Samen Kerk, juli/augustus 2003, pag. 11).
In een zijbeuk van de kerk in Santo Domingo de la Calzada is er een kippenhok in de muur gebouwd met volgens de traditie een levende haan en een kip erin. Als de haan kraait, wanneer men zich in de kathedraal bevindt, zal de pelgrimstocht volgens de overlevering voorspoedig verlopen. De haan kraaide, net toen wij er langs liepen. Hoe wonderlijk! Eens temeer ervoer ik het volstrekte unieke van een belevenis, nu gezien tegen het licht van de overgedragen overlevering van de ‘haan en de kip.’ (Richard Lichtendahl, 4 juni 2002)
Als je er open voor bent, kun je jezelf in al je dubbelzinnigheid ervaren. Aan de ene kant zet je natuurlijk een prestatie neer. Al die kilometers, afwisselend weer, mooie wandelingen, maar ook risicovolle klauterpartijen. Dat doe je dan toch maar allemaal.
En aan de andere kant voel je tegelijkertijd hoe klein je bent. Je bent maar een kleine stip op een pad, een van de intussen miljoenen mensen die deze weg gelopen hebben. Je bent maar een klein vlekje in het grote heelal. Die ervaring kan heel helend werken. (Leon van der Meer, in: Open Deur, mei 2001, pag. 9).
Onderweg zoek ik de eenzaamheid en de stilte. Ik sterf een beetje af aan het gewone leven, ik sta stil bij datgene waar velen klakkeloos aan voorbij lopen, ik ben getuige van iets dat groter is dan ikzelf. Als wandelaar ben ik namens de mensheid toeschouwer bij het spektakel van de natuur. Ik kijk, ik bewonder ik applaudiseer; tijd en ogen kom ik te kort, ik zou een verrekijker en een vergrootglas bij me willen hebben. Ik voel me klein te midden van zoveel schoonheid die er zomaar is, overvloedig, adembenemend. (Jeroen Gooskens, in: Op Lemen Voeten, ’99-2, pag. 15).
Verbondenheid
Niet alleen met de aarde, maar ook met elkaar voelen wij ons door al dat wandelen verbonden. Wij weten ons door de aarde gedragen, en door elkaar. Een mens vertrouwt zijn medemens gemakkelijker iets toe wanneer er samen wordt gewandeld. Uit diepe kamers borrelen woorden op. Of lang vergeten liederen. Er wordt gezongen. En ook dat is fijn. (Kristien Hemmerechts, in: Trouw, Letter&Geest, 27 augustus 2011, pag. 3)
Zo vertelde ik terloops aan een Canadees echtpaar dat ik me zorgen maakte om mijn 91-jarige moeder. Mijn vrouw had me juist daarvoor gebeld en verteld dat mijn moeder was gevallen, een hoofdwond had maar dat het niet ernstig genoeg was voor mij om huiswaarts te keren. Weken later zag ik de Canadezen weer terug. “How is your mother doing?” was het eerste dat de vrouw mij vroeg. Dat tekent de saamhorigheid op de camino. (Ferry Mingelen, in: Op lemen voeten, 2009-4, pag. 7)
Ook was ik er voortdurend van doordrongen dat vóór mij over dat traject eeuwenlang miljoenen pelgrims hebben gelopen. (Ferry Mingelen, in: Op lemen voeten, 2009-4, pag. 7)
De onderlinge verbondenheid van de pelgrims maakte in het begin diepe indruk op me. (Ariena dos Reis Chantre, in Trouw, 26 juli 2007, De Verdieping, pag. 6).
Tijdens het lopen heb ik herhaaldelijk het gevoel gehad met alles om mij heen in verbinding te staan. (Richard Lichtendahl, 17 juni 2007)
Het was in de ‘stiltekamer’ van de herberg. Er klonk gregoriaanse muziek. ‘Heb je zin om te bidden?’, vroeg de herbergier. ‘Dat lijkt me leuk’, antwoordde ik. Er waren nog twee heel katholieke vrouwen uit Nederland en een Argentijn. Ik ben eerst voor gaan lezen, en vervolgens las de herbergier voor uit de Koran. Daarna zijn we voor elkaar gaan bidden. Dat was zo verschrikkelijk mooi, dat alleen al daarvoor de hele tocht had willen lopen. Daarna gingen we op weg, lange tijd liepen we in stilte. (Sedat Cakir, in: Trouw, 31 mei 2007, De Verdieping, pag. 6).
Vanuit mijn eigen karakter en mijn werk als pastor ben ik geneigd om me beschikbaar op te stellen en te luisteren naar de ander. De camino bood me de kans om ruimte te maken voor de gevoelens van mijn eigen hart. En anders dan verwacht bracht me dat ook dichter bij andere mensen.
Die ‘ander’ was een man of vrouw langs de weg, de uitbater van een hotel, of een mede-pelgrim. Dat waren net alleen katholieken, maar mensen van alle denominaties, landen en culturen. Vooral twijfelaars, op zoek, net als ik, naar God, liefde en recht. Allemaal onderweg over paden die al duizend jaar worden gebruikt door mensen die hetzelfde beleven. Dat alleen al berheft een dergelijke pelgrimstocht ver boven welke andere monster-wandeltocht. Het maakt het pad als het ware tot kerk.
(Hans Schoorlemmer, in: titel krant of weekblad in regio Zwolle mij niet bekend, 25 november 2006)
“In de wouden zul je meer vinden dan in de boeken: de bomen en de rotsen zullen je dingen leren die geen enkele leermeester je kan vertellen” preekte Bernardus aan de universiteit van Parijs. Zo heb ik dat onderweg ervaren en velen met mij: lopen loutert en de camino is een schitterende leerschool. In vele uren stilte geef ik me gewonnen aan de fascinerende ervaring van het oneindige; de schoonheid van de schepping en de mens daarin als een nietige voorbijganger in de tijd. “Ik voel me sterk verbonden met allen en alles, dankbaar en klein. Met elke stap word ik meer pelgrim.” schrijf ik ergens in mijn boek “Ver onderweg”. (Jeroen Gooskens, in: Jacobsstaf 2006, pag. 68 en 69)
Het zijn in de natuur maakt je een kleiner deel van het geheel en daardoor ga je jezelf en je problemen ook wat meer relativeren. Je bent buiten, maar ook letterlijk meer naar buiten gericht. (Joop van Aert, in: KRO Wandelen, oktober 2006, pag. 2).
Ik heb ervaren dat zwijgen, of beter gezegd, intens luisteren naar wat de ander te zeggen heeft, waardevol is voor mijn contacten met anderen. Niet het gesprek overnemen, maar luisteren. (Gijs Spiekermann, 2006)
Als je lang wandelt, dan krijg je een soort moeheid en die maakt je leeg. Door die moeheid kun je tot de essentie komen. Dat merk ik als ik met mensen de hele dag op pad ben. Op een gegeven moment voel ik dat er iets gebeurt, een soort verbondenheid. (Hella van der Wijst, in: Vier! Pinksteren 2006, juni 2006, pag. 30)
Ik ben rooms-katholiek en in een klooster, in een kerk of bij gregoriaans gezang, kun je echt aangeraakt worden. Maar de ervaring van de onnoemlijke goddelijke energie heb ik tijdens deze reis op een wel heel bijzondere manier in de natuur ervaren. Daardoor kwam er een dimensie bij. De natuur, de wijdsheid, maar ook mijn eigen nietigheid en mijn onbekendheid met de natuur. Ik reisde vroeger zakelijk de hele wereld over, maar ik had nog nooit door de natuur gelopen. Ik werd daadwerkelijk aangeraakt in het hier en het nu. Alleen, stil en diep ontroerd door het moment. Die ervaring is een heel groot geschenk geweest. Ook na die voettocht is de natuur een enorme bron van kracht gebleven. (Hans Andreoli, in: Vier! Pinksteren 2006, juni 2006, pag. 50)
Maar vooral heb ik genoten van de bijzonder intense contacten met pelgrims onderweg. De grote openheid. Je vertelt elkaar zaken die je thuis nooit aan iemand zou vertellen. Na de eerste kennismaking gaan de gesprekken al heel snel de diepte in. De meeste pelgrims zijn ergens mee bezig. Ze hebben iets meegemaakt, staan voor een belangrijke beslissing. Je leent een luisterend oor aan die ander, en de ander doet dat aan jou. Die sfeer dat is voor mij het bijzondere van de Camino. (Leo Baeten, in: De Telegraaf, 26 juni 2004, pag. T17).
Vooral in Spanje zijn er veel collega pelgrims. Ieder met zijn eigen verhaal, dips en ongemakken. Vooral in de laatste weken van de tocht ben ik me erg bewust van het feit dat iedereen, ik ook, zijn eigen weg moet gaan. Je kunt aandacht voor elkaar hebben, een anders blaren doorprikken, eten en dekens delen, maar uiteindelijk moet je je eigen weg gaan. Je eigen beslissingen nemen, je eigen droom volgen.
Tijdens de tocht wordt het voelbaar, als een metafoor voor het leven, met name wanneer ik verder loop en een ander achterblijft met pijn. Alleen hij kan beslissen of hij doorzet of op moet geven. Een vriend met wie ik weken heb opgetrokken loopt door als ik een dag wil rusten. Ik voel het diep en dit besef, dat ieder zijn eigen weg gaat, ontroert me op dat verscheurde moment toch. En tegelijk voel ik dat verbondenheid verder gaat dan dat materiele moment. Dat ik deel uitmaak van een liefdesstroom.
(Ineke Leemreize, in: De Heraut, 2003)
Op 28 juni:
Het landschap ontvouwt zich om me heen (….) Ik voel de energie van al die pelgrims trillen over de weg en voel me open zoals het land open ligt om zon en regen op te vangen. Het leven heeft vele lagen van waaruit je waarneemt en waarin je geraakt kunt worden. Vandaag voelt het alsof ik alles zie vanuit de bodem, de vele vlinders, de bloemen, de mensen. (Ineke Leemreize, in: De Heraut, 2003)
Ik voelde een verbondenheid met de vrienden, die ergens één of meer dagen voor of achter ons liepen op deze weg. Alsof een rode draad ons allemaal door tijd en ruimte verbond.
Een stemming van weemoed voor alles wat wij gedeeld hadden en wat wij nu met elke stap verder achter ons lieten, ‘doordrenkte’ mij op die dag.
Ook had ik een gevoel of ik een nieuw kleinood met mij meevoerde en wel mijn eigen partner, waarmee het zo verwonderlijk goed klikte de laatste dagen. Een warm vertrouwen verbond ons als een sterke ondergrondse stroom.
Het merkwaardige hierbij was, dat ik de laatste dagen eigenlijk niet meer bewust over onze problemen had nagedacht. Zij waren op de een of andere manier gesmolten als sneeuw voor de zon. Toen ik mij dat realiseerde, kwamen al die kleine ergernissen en pesterijen van de laatste tijd mij zo triviaal voor. (Richard Lichtendahl, 4 juni 2002)
Al wandelend met mijn rugzak voel ik me opgenomen in een immense wereld. Ik voel me zo groot worden als het universum, krijg een gevoel van vrijheid los van elk moeten, ik mag er zijn zoals ik ben. Er ontstaat een geluksgevoel waar geen woorden voor zijn. Ik begin soms zelfs hardop te zingen, me niet bekommerend om het feit dat ik slecht wijs kan houden. Ik voel me opengaan, spreek mensen aan, ook als de vreemde taal eigenlijk een belemmering is. Ik word begrijpend, voel me zeer met iedereen verbonden, incluis met mijzelf. (Ricky Rieter, in: Open Deur, mei 2001, pag. 5).
Je leeft en voelt je verbonden met alles wat leeft. Je kijkt om je heen en ziet dat alles goed is. Die ervaring maakt me minder geschikt voor veel dingen in het leven. Wetenschap, politiek, revolutie: allemaal verschrikkelijk belangrijk, maar het vraagt om een zekere eenzijdigheid, om ambitie en draagkracht. Actie, carrière, vooruitgang: ik zal ze niet veroordelen, ik weet dat onze wereld ze nodig heeft. Maar diep in mijn hart voel ik me er niet toe aangetrokken, ik beschouw liever. Daarom wandel ik. Alleen. (Jeroen Gooskens, in: Op Lemen Voeten, ’99-2, pag. 15 en 16).
Vertrouwen
Dankzij het relaxte wandelen ben ik broodnuchter uit Santiago teruggekomen. Niet dat ik helemaal ben opgehouden met het stellen van levensvragen. Ik heb er nu alleen het volste vertrouwen in dat ik er op een gegeven moment antwoorden op vind die bij mij passen. En dat ik ondertussen van het leven mag genieten. (Areina dos Reis Chantre, in Trouw, 26 juli 2007, De Verdieping, pag. 6).
Na een flink aantal dagen lopen kreeg ik de zekerheid, dat
alles wel goed zou komen. (Richard Lichtendahl, 17 juni 2007)
Je hebt onderweg eigenlijk niks nodig. Het komt altijd goed. (Hans en Elly Janssen, in: de Stentor, 16 december 2006)
Ik ben gaan lopen, 2222 kilometer naar Santiago de Compostela. Die tocht heeft me veel gebracht. Een enorm vertrouwen, vooral. De overtuiging dat de dingen goed komen of al goed zijn. Het belangrijkste wat daardoor is veranderd is dat ik me niet meer druk maak. Dat gevoel van vertrouwen is een soort basis geworden, waarbij onderhoud wel nodig is. Als ik nu niet regelmatig eventjes uit de maalstroom stap, een week of een weekend, val ik in mijn oude patroon terug. Ik voel me dan ongemakkelijk, gejaagd. Dan doe ik een zijpasje, ga ik wandelen of me terugtrekken. Mediteren. Schilderen. (Jurgen Steeman, in: Trouw, de Verdieping, 18 maart 2006, pag. 8).
Chris heeft door de tocht vertrouwen in zichzelf gekregen. Nog méér vertrouwen in mezelf, moet ik misschien zeggen. Wie maakt me nog wat? Ik heb de Camino gelopen! (Chris Bosman, in: De Telegraaf, 26 juni 2004, pag. T17).
Vooraf overwoog ik een tent mee te nemen om tenminste een dak boven mijn hoofd te hebben. Ik zag ervan af vanwege het gewicht. Zoeken naar onderdak blijkt een oefening in vertrouwen te zijn. Dikwijls verbaas ik me over mezelf als het tegen de avond loopt en ik weet nog niet waar ik zal gaan slapen en me toch geen zorgen maak. Dat ken ik niet van mezelf.
Ik merk dat wanneer ik met vertrouwen vraag, mensen open reageren. (Klopt en er zal worden opengedaan …) Ik overnacht eens in een kolossaal kasteel. De burgemeester woont er en de dorpsbewoners zeggen dat ik het daar niet hoef te proberen. Omdat het hotel vol is waag ik mij toch op het terrein van het kasteel. Bij de vrouw van de burgemeester is het wantrouwen van haar gezicht af te lezen. Het is al bijna donker en ik krijg de prachtige torenkamer met een sleutel van een halve meter! De volgende morgen ontbijt ik met de burgemeestersvrouw. Het ijs is gebroken en we gaan als vrienden uit elkaar.
Ik merk onderweg dat ik meer onbevangen wordt en de kontakten zo open zijn. Ik voel dikwijls mededogen, liefde, verwantschap. Ik leer ontvangen en me overgeven. Overgave krijgt een speciale betekenis. Als ik me overgeef als het regent, heb ik er nauwelijks last van. Als ik de warmte er volop laat zijn (en wel voldoende drink) lijd ik er minder onder. (Ineke Leemreize, in: De Heraut, 2003)
Verbeelding
Met een beetje verbeeldingskracht wandel je door de Apenijnen. Overal groeien Duindoorns met hier en daar nog een enkele oranje bes. De rest is opgesnoept door de Kramvogels, die nu alweer terug zijn in Scandinavië. (Hans Dorrestijn over zijn wandeling door het Noord-Hollands Duinreservaat, in: Spoor, 2008/1, pag. 28)
Hoe kan het zijn dat je je kompas vertrouwt als het donker is? Als er alleen maar zand is, geen water en geen mensen om de weg te vragen. Als het doodstil is, en er geen sterren aan de hemel staan. Geen betaalde baan, geen relatie, geen perspectief.
Is wachten dan het sleutelwoord ? Of ga je de woestijn in. Het vraagt moed om dan toch die woestijn in te gaan, zeker als je geen eerdere ervaringen met die zandhoop hebt gehad. Als het leven mij voor de wind gaat, en ik mij nooit behoef te beschermen tegen zandstormen. Of…… geen ervaring heb dat ik er – hoe dan ook – tegen beschermd wordt. Het kan alleen maar zo zijn dat ik dit kompas vertrouw als de naald consequent de zelfde richting uit wijst. Voor mij is dat, hoe wankel dat nu nog is, om te leven onder geleide van het Evangelie. Om steeds vaker bevestigd te worden in het feit dat het kompas betrouwbaar is. En om op grond van dat gegeven door te fietsen. (Gijs Spiekermann, 2006)
Wandelen is een metafoor van het leven. Ik heb tijdens zo’n tocht voortdurend de neiging om parallellen te trekken: ik wandel in de zon, ik wandel in de regen, ik wandel in de schaduw – dat wisselende weer, dat ervaar ik in mijn eigen leven ook.
Zo’n tocht is het leven in het klein, vol symboliek: zorg dat je genoeg water bij je hebt voor onderweg, zorg dat je je krachten goed verdeelt over de dag. De beelden worden vanzelf aangereikt door het landschap, de tochtgenoten, de inspanning van het wandelen, de beweging, de tred. Die beelden helpen me om mijn eigen ervaring te begrijpen en te ordenen. Zo kan ik me soms gedragen voelen, zo kan ik me realiseren hoe klein ik ben in de schepping, zo weet ik dat ik aangewezen ben op anderen. Onderweg zie je leven en dood, je ervaart herrie en rust – alles komt langs. (Luc Blommers, in: Vier! Pinksteren 2006, juni 2006, pag. 66)
Zo is er een ontmoeting tijdens het lopen met een franse vrouw. Ze loopt plotseling naast me. Het verhaal van de emmausgangers flitst door me heen. En het blijkt een emmausgangers-ontmoeting te zijn, waarbij de rollen van het verhaal telkens wisselen. Beiden winnen we aan inzicht en aan verlangen. (Ineke Leemreize, in: De Heraut, 2003)
Wat mij tijdens het lopen boeit, is de zon in het water, de visjes
die je in het zonlicht ziet spetteren, een troep opstijgende zwanen. Iedere wandeling is een tocht door Genesis. Dat besef ik tegenwoordig steeds beter. Wat je onderweg ziet, staat bol van de verhalen en dringt zich aan je op; de eik, de kip die een stukje meeloopt, de boer met zijn ploeg. (Sef Imkamp, in: Trouw, 22 september 2003, pag. 10).
Symbolen en rituelen
Ik heb in de kathedraal het beeld van jacobus omarmd. Het was alsof hij zei; ik wist dat je komen zou. (Pelgrim Kurt, in: De Volkskrant, 10 juli 2010, Reizen, pag. 4)
De rituelen hier zeggen me niet zoveel . De kathedraal is prachtig, zeker, wat een vakwerk. Maar wat geloof nu eigenlijk is, daar ben ik onderweg achter gekomen. Geloof is handelen in overeenstemming met je geweten. Voor mij is de camino zelf de kathedraal gebleken. (Ierse pelgrim Patrick Fitzgerald (65), in: De Volkskrant, 10 juli 2010, Reizen, pag. 4)
Toen we aankwamen in het klooster van Sobrado des Monxes was het in de zaal compleet donker en speelde alleen het orgel. Daarna gingen de lichten aan en kwamen de broeders binnen, in totaal zo’n twintig, die in een kring gingen zitten. In tegenstelling tot wat je zou denken, waren er hier heel wat jongere broeders bij. Voor dat soort mensen, die vast geloven en er alles voor opzij zetten, heb ik veel bewondering, hoewel ik het niet met ze eens kan zijn. Het zingen was prachtig, waarbij na een of meerdere liederen steeds het licht werd uitgedaan, waardoor je de tijd kreeg om tot jezelf te komen. Eigenlijk was het voor het eerst dat er zo’n moment was tijdens deze Camino. Onderweg ben je vaak alleen, maar toch ben je niet vaak in de gelegenheid om echt na te denken en je te realiseren, waar je eigenlijk mee bezig bent. (Wim Jansen, laatste verslag vanuit Santiago, 25 april 2010).
Je ziet op kaap Finisterra allemaal vuurplaatsen waar ik net als vele pelgrims voor mij mijn onderbroek heb verbrand. (Ferry Mingelen, in: ‘te voet’, september 2009, pag. 12)
Ik ben niet gelovig maar ik raakte tot tranen toe geroerd in de kathedraal van Burgos. (Ferry Mingelen, in: Op lemen voeten, 2009-4, pag. 7)
Mijn echtgenote stak bij vrijwel elk Maria-altaartje een kaarsje aan. Geleidelijk aan werd ik geroerd door dit eenvoudige blijk van piéteit en beleefde het in stilte met haar mee. (Richard Lichtendahl, 17 juni 2007)
Ik las dagelijks uit de Psalmen, genoot van de opkomende zon, die prachtige kleuren toverde op oude muren, bomen, bergen en velden. Alleen dat al kon me ontroeren. Maar zelfs de ongemakken van een voetreis, zoals blaren, het dragen van een rugzak, hitte, koude, wind en regen en het zorgen voor eten, drinken en onderdak. vormen een belevenis. (Hans Schoorlemmer, in: titel krant of weekblad in regio Zwolle mij niet bekend, 25 november 2006)
Als ik kan probeer ik naar de zegeningen te gaan. Ik put er kracht uit, het ondersteunt mij op mijn weg. Het geeft een diepere dimensie aan mijn tocht, het stilstaan bij het pelgrim zijn. (Suzy Tratsaert, Sint-Amandsberg, in: De Pelgrim, nr. 85, jaargang 22/juni 2006, pag. 83)
Ik had één boek mee: ‘De profeet’ van K. Gibran. Wel twintigmaal heb ik het gelezen. Ik ken het niet van buiten, ik ken het van binnen. (Suzy Tratsaert, Sint-Amandsberg, in: De Pelgrim, nr. 85, jaargang 22/juni 2006, pag. 81/88)
Iedere ochtend voor ik vertrek lees ik een Psalm, en iedere avond een stuk uit “Met Gods genade” van Andre Louf. Gedurende de dag blijft vaak een zin uit de Psalm bij mij. Psalm 139 blijft voor mij zeer indrukwekkend. Dit lezen geeft naast inspiratie ook structuur aan de dag. Ik merk dat ik beter een klein stukje kan lezen dat bij mij blijft, dan hele hoofdstukken achter elkaar. …
Iedere ochtend vond ik op de weg wel een kerkje, dat open en verlaten was. Ik zing dan het “Onze Vader” in de melodie van de trappisten van Rochefort, en daarna het Agnus Dei. … Vooral het dona nobis pacem raakt mij zo persoonlijk.
In het onze vader is dat “et pardonnons nous offences , comme nous pardonnons ausi a ceux qui nous ont offences”. ( en vergeef ons onze schulden zoals ook wij vergeven onze schuldenaren) Vergeving is nog zo een groot item voor mij.
Ik ervaar dat ik op dit moment van de dag zeer persoonlijk onder de Genade ben. Dit is het fundament van de dag, een zeer intiem moment dat ik met niemand wil delen. Zingen maakt de mens klein en kwetsbaar. En daarmee heel groot.
Het gaat niet om de kraaltjes, om een bidsnoertje, echt niet, Leven onder Gods Genade heeft geen rituelen nodig. (Gijs Spiekermann, 2006)
In de katholieke traditie is de structuur van een eucharistieviering over de hele wereld dezelfde met dezelfde rituelen. Elke zondag ga ik naar de Mis in de plaats waar ik dan ben. Zondag is ook mijn vaste rustdag. De eerste dag van een nieuw gegeven week. Belangrijk op de weg, als steunpunten. (Gijs Spiekermann, 2006)
Jaren daarvoor had ik op het Schotse eiland Iona een steentje gevonden dat was voorbestemd om bij het Cruz de Ferro achter te blijven. Het had al die jaren op een plank bij mijn bed liggen wachten op dit moment. Ik heb het gevoel dat dit steentje al die jaren de spanningen in zich opgeborgen heeft die er in mij zaten, en die te maken hadden met de drukke en verantwoordelijke baan die ik in die tijd had. Toen ik het namelijk over mijn linkerschouder had weggegooid, was het net of mijn rugzak 10 kilo lichter was. Hij woog bijna niets meer. De last was achtergebleven op de plek die daar al eeuwen voor bestemd is. Deze handeling werd gevolgd door een huilbui die wel een kwartier heeft geduurd, en waar ik mij ook niet bij heb ingehouden. Mijn tocht was op die plek eigenlijk voltooid. (Willem Bezemer, 2004)
Het aansteken van een kaarsje is een teken van verbinding zoeken met wat mij te boven gaat. (Mgr. Ernst, juli 2004).
Ik vertrok op 31 maart 2000 uit mijn woonplaats Peize. Vrienden zouden in onze kleine historische kerk van Peize afscheid van mij nemen. Het bleek een bijeenkomst met liederen, gedichten, sacred dance. Psalm 121 werd gezongen: Ik sla mijn ogen op naar de bergen. De psalm zou bij mij blijven de gehele tocht. Dit alles zorgde ervoor dat ik me gedragen voelde. Op 2 april begon ik te lopen vanuit de prachtige Madeleine-kerk in Vezelay. Die kerk binnengaan was voor mij een-gaan-in het-licht ervaring, evenals het vertrek. Het was een stralende, van het vroege voorjaar zinderende, dag. Op 5 juli kwam ik aan in Santiago de Compostela. (Ineke Leemreize, in: De Heraut, 2003)
Lighting a candle is a prayer. Response to beauty and goodness. Thought for others. Offering of oneself. Your candle burns as a sign to those who pass by. (York Minster, December 2003).
Ontmoeting met Hem
Een voorbeeld uit onze groep: ik sprak al lopend met mijn reisgenoot erover dat we nu al twee van de drie grote pelgrimages van het middeleeuwse christendom gehad hadden: Rome, waar we eerder waren geweest, en Santiago. We vonden de gedachte wel aantrekkelijk om het jaar daarop naar Israël te gaan. Bij een glas wijn spraken we ’s avonds met twee Oostenrijkers die we de hele dag niet hadden gezien. De ene vertelde dat hij de nacht ervoor van mij gedroomd had. In de droom was hij bij een joodse huwelijkssluiting uitgenodigd, en toen de rabbijn binnenkwam, was ik het! Hij wist niets van ons gesprek over de reis naar Israël. Toeval? Wellicht, maar op de camino vatten we deze ervaring allemaal niet zo op. Voor ons was het geen illussie in de woorden van Nouwen, maar een betekenisvol moment, een moment waarop we de zinvolheid van het bestaan ervoeren, en dat kan uitmonden in een vorm van gebed, of je nou religieus bent of niet. En het werd een verhaal dat iedereen meenam en dat we vandaag nog met elkaar delen. (Thomas Quartier, in: De Jacobsstaf, februari 2010/85, pag. 9)
Je moet je afvragen of God wel alleen in de kerk te vinden is. Misschien is hij wel aanwezig in het lopen. Misschien loopt God wel mee met de mensen die langs de kerk lopen. … Om God te kunnen ervaren hebben we het lichamelijke nodig. (Ineke Albers, in : Nestor, maart 2008, pag 59)
God is in het lopen. (Ineke Albers, in: de Jacobsstaf, september 2007/75, pag. 82)
Ik beleef God als ik iets waardevols bedenk tijdens het wandelen. (Areina dos Reis Chantre, in: Trouw, 26 juli 2007, De Verdieping, pag. 6).
Heb tijdens een rustpauze op de pelgrimsroute in een stemming van neerslachtigheid het gevoel gehad getroost te worden
(alsof er een hand op mijn schouder werd gelegd), waardoor alles weer zin had. Dit is eigenlijk mijn dierbaarste herinnering, waarover ik het in mijn boek heb. (Richard Lichtendahl, 17 juni 2007).
Na een dag lopen kwam ik met Annemieke, een medepelgrim die ik onderweg had ontmoet, aan bij een herberg. Vol. Twee kilometer verderop is is nog een herberg, zeiden ze. Maar die was ook vol. Probeer het over drie kilometer, luidde het. Ook daar was het vol. Acht kilometer verderop, na een flinke klim, lag nog en herberg. Maar het weer werd steeds slechter, en terwijl we liepen vergeleken Annemieke en ik onszelf met Jozef en Maria, uitgeput op zoek naar een plaats om te slapen. Toen kwam er een herder met zijn kudde langs. Hij ga ons water en sprak ons in onverstaanbaar Spaans moed in. Dat hielp. Ik zag er de hand van God in, de vrucht van alle gebed. (Sedat Cakir, in: Trouw, 31 mei 2007, De Verdieping, pag. 7).
In Assisi is de Basiliek Santa Maria Degli Angeli staat een piepklein kapelletje “De Porziuncola” Er kunnen hooguit twintig mensen doorheenlopen. Aan weerszijden staan vijf bidstoetjes. Mensen verdringen zich en proppen zich er door heen.
Ik kniel op een van de bidstoeltjes en bid voor de vrede in mijn hart. Ik hoor, zie, voel de mensen niet. Ik voel mezelf totaal in vrede en in rust. Weet mij gedragen door God op reis naar Rome. Zes weken onderweg en nog een dag of tien te gaan, maar eigenlijk vind de reis hier een tijdelijke voltooiing. (Gijs Spiekermann, 2006).
Daarna regen de dagen zich aaneen. De sneeuw, de wouden en altijd maar weer alleen. Ik verdwaalde steeds opnieuw en vroeg me af waar ik aan begonnen was en hoe ik hier ooit uit zou komen. De intense godverlaten momenten heb ik tijdens mijn eerste tocht nooit gehad. Ik was alleen maar aan het overleven. In plaats van aan spiritualiteit kwam ik hooguit aan een schietgebedje toe. Je zult eerst je maag moeten vullen voordat verdieping aan de orde komt, zo heb ik gemerkt. Ondanks dat heb ik vaak een onzichtbaar duwtje gevoeld. Soms dacht ik dat ik absoluut niet meer verder kon, maar door die onzichtbare hulp bleek ik veel meer te kunnen dan ik voor mogelijk had gehouden. Ik was er wel van overtuigd dat Hij met me meeliep, maar ook hier doorheen moest gaan omdat ik zo overmoedig was geweest. Ik moest wel een beetje met mijn voeten op aarde gezet worden. (Hans Andreoli, in: Vier! Pinksteren 2006, juni 2006, pag. 50)
In Chartres gebeurde het volgende: ik was daar een heel weekend gebleven, en pakte op maandagochtend mijn rugzak weer in om die dag naar Bonneval te gaan. Bij die handeling schoot er als een flits door mij heen dat ik met 20 kilometer wel een makkie had. Ik stond bij die gedachte niet verder stil, had later nog een heel leuk contact met een boer die mij terloops zei dat de pastoor van Bonneval zijn vrije dag had, liep door, arriveerde in het stadje en ontdekte dat alle hotels en het Office de Tourisme gesloten waren. Ik ben naar het Hotel de Ville gegaan, en daar hebben zij een chambre SDF voor mij geregeld. Wat die afkorting betekende ben ik pas later achtergekomen: pour gens sans domicile fixe, de daklozenopvang dus. Was ik die ochtend wat te hooghartig jegens de Eeuwige? Wilde Hij/Zij mij even fijntjes laten merken dat ik er niet al te makkelijk over mocht denken? (Willem Bezemer, 2004)
In Sahagun overkwam mij het volgende: ik had mij geïnstalleerd in de herberg op de zolder van een kerk. Met mijn kleine katoenen rugzakje, met daarin mijn dagboek en mijn lilliputbijbeltje, liep ik op mijn slippers naar buiten en ontmoette daar een Engelse pelgrim op de fiets. Hij zat er helemaal doorheen en slikte al pijnstillers terwijl hij nog maar een paar dagen op pad was. Voordat ik er erg in had, kwam er bij mij een opmerking uit in de trant van: “Het zal mij niet meer overkomen dat ik nog een blessure oploop, dat station ben ik al lang voorbij”. Nog geen uur later, tijdens een verkenningstocht door dat stadje, zag ik een betonnen randje op een trottoir over het hoofd en knalde daar met mijn grote teen vol tegenop. Ik verging van de pijn en wist niet wat ik het eerste moest doen. Strompelend ben ik naar een bankje langs de weg gegaan, ben daar op gaan zitten, en overdacht dat mijn tocht twee weken na aanvang was vastgelopen, en dat hetzelfde nu twee weken voor het einde opnieuw dreigde te gebeuren, Uit mijn rugzakje heb ik mijn bijbeltje gepakt en ben daarin gaan lezen. Bij mijn vertrek was ik op bladzijde 1 begonnen. Op dat moment was ik aangeland bij Spreuken 3. Het gaat daar over het vertrouwen op God, wees niet wijs in eigen ogen, welzalig de mens die wijsheid betracht, wijsheid is het belangrijkste, uitmondend in vers 23: “Dan zult gij uw weg veilig gaan, zonder dat uw voet zich stoot”. Kan ik mij een nog ernstiger vermaning van de Eeuwige voorstellen? Greep Hij/Zij hier niet heel direct in?
De rest van de dag en ook midden in de nacht heb ik de geblesseerde teen ingesmeerd met arnica. De volgende morgen was de pijn nog niet geheel over, maar ik heb toch mijn schoenen aangedaan, mijn rugzak om en ben op pad gegaan. Na een halfuur was de pijn volledig verdwenen, en ik heb er ook nooit meer last van gehad. Er was geen enkele verkleuring te zien, en ben uiteindelijk zonder fysieke problemen in Santiago aangekomen. (Willem Bezemer, 2004)
Wandelen met de Ene. (Ineke Leemreize, in: De Heraut, 2003)
Vooral in Frankrijk loop ik veel alleen. Er zijn dagen dat ik niemand spreek. Er ontstaat ruimte. Ruimte waarin besef is -soms even – van niet alleen te gaan. In mijn schaduw voel ik “aanwezigheid” meegaan, die me met mijn diepste zelf in contact brengt. Of beter: ik voel me al lopend in de schaduw van de “aanwezige”. (Ineke Leemreize, in: De Heraut, 2003)
Op 23 mei: vandaag loop ik naar St. Jean Pied de Port.
Om half acht loop ik. Gisteren en ook vandaag heb ik steeds psalm 121 in mijn hoofd: …“Hij zal niet toelaten dat je struikelt. Hij zal niet slapen. Hij waakt over jou. Overdag zal de zon je niet steken. Hij houdt kwaad van je af. Hij neemt je onder Zijn hoede.” Zo, tot in mijn tenen heb ik het gevoeld deze zeven weken en vandaag, deze uitzonderlijke mooie dag met de bergen en de zon om mij heen. Ik wordt overstroomd door dankbaarheid. Iedere grasspriet is van morgen bezet met kristallen…” (Ineke Leemreize, in: De Heraut, 2003)
Op 26 juni:
Vandaag kan ik
alleen
maar huilen
of ik wil of niet,
verbonden
met jou,
de stroom
van het leven,
om loslaten,
om de pijn
van hen
die jij,
de stroom,
zo liefhebt.
Ik wil niet huilen
maar tranen stromen
en vormen een bedding
waarin zij
voortgestuwd worden
naar jou
wie je ook bent.
Alleen maar
drijven
in jouw stroom
zonder angst
zonder reserve
zonder bezitten
in die stroom ben jij
ben ik
is hij
is zij
zij…..
(Ineke Leemreize, in: De Heraut, 2003)
Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik alleen was onderweg. Ik was altijd samen met God, in Zijn grote Universum. Dat heeft me door alle problemen heen geholpen. Ik zag overal engelen op mijn pad. Als ik er niet uitkwam, begon ik op een gegeven moment te denken: ‘Ik vind altijd wel iets te eten, ik vind overal wel onderdak.’ Het tilde je boven jezelf uit, je leefde in een soort eeuwigheid. Je hoeft je helemaal niet te haasten, want je ziel leeft eeuwig. (Lisette Zurlohe, in: Samen Kerk, juli/augustus 2003, pag. 10).
Ik probeer mijn gedachten bij ‘mij en God’ te houden – maar dat valt niet mee. Ik ervaar verlangen: naar gekend te zijn, geborgen en beschermd te worden. Daarom raakt de pelgrimszegen me af en toe. En verder voel ik iets van de levensstroom. De adem die me verder helpt, de kracht om te lopen en te klimmen; de stroom in de natuur, het landschap, de stilte. (Leon van der Meer, in: Open Deur, mei 2001, pag. 9).
Luisteren, bidden, wandelen. Muziek, religie, natuur. Schoonheid, transcendentie, God. Tritsen woorden, maar de ervaring waar het om gaat is één en die ervaring maakt al het andere betrekkelijk. (Jeroen Gooskens, in: Op Lemen Voeten, ’99-2, pag. 15).
Geestelijke begeleiding en pelgrimage
Bijzonder is dat ik een jonge vrouw de eerste dag in Roncevalles uitgeleide heb gedaan, die absoluut niets met geloof heeft. Zij was onder de indruk van de pelgrimsmis en wilde zelfs ter communie. Elke avond ontvangen er zo’n 120 mensen er de pelgrimszege. Het is nog veel religie, maar toch. Het begint met zingeving. Met deze jonge vrouw heb ik e-mail contact, en merk dat ze gedurende de voettocht verandert. (Gijs Spiekermann, juni 2007)
Vaak door alleen maar te luisteren en een gerichte vraag, maar vooral door veel te luisteren, komen we vaak samen tot nieuwe inzichten. (Gijs Spiekermann, juni 2007)
Ruim 13 jaar geleden deed zich de gelegenheid voor een fietstocht naar Santiago te maken. Het begon gewoon als een overmoedige poging lekker vijf weken op de fiets te zitten, naarmate de reis vorderde kwamen steeds meer sleutels aan een lege sleutelbos. Ik schreef in die tijd wel artikelen over die reis in een lokkaal suffertje, maar die bleven erg aan de oppervlakte. De aankomst in Santiago was een deceptie, zonder enige mogelijkheid tot reflectie op het moment of daarna in Nederland. Terug in Nederland kon ik mijn spirituele ervaringen niet delen (ik spreek met grote terughoudendheid over religieuze ervaringen). De reis was onaf en de lessen beklijfden niet. (Gijs Spiekermann, januari 2007)
Het heeft mij onderweg al moeite genoeg gekost om de personal coach die ik in mijn eigen hoofd had zitten, het zwijgen op te leggen. Dat was een vervelend ventje dat iedere avond voor het slapen gaan begon te zeuren over die metamorfose – of daar nog wat van kwam. Wat zou straks de oogst zijn van mijn tocht? Hoe zou ik daarna als een heel ander mens verder leven? (Herman Vuijsje, in: de Jacobsstaf, 2003, nr. 60, pagina 158: in dit artikel verklaart hij zich een uitgesproken tegenstander om met een coach op pelgrimstocht te gaan omdat je daarmee jezelf de gelukzaligheid ontzegt van het een tijdlang aan niks denken)
Heb je aanvullingen? Mail ze.