Wandelen haalt de haast uit je hoofd. Het maakt open. Er ontstaat ruimte voor wezenlijke vragen. Over de kracht, de spiritualiteit en de reinigende werking van wandelen en pelgrimeren. Een aanbod van een bezield geestelijk begeleider die met jou aan de wandel wil.

Citaten over wandelen en pelgrimeren

Veel mensen wandelen of pelgrimeren. Zij beleven er allemaal iets aan. Wandelen maakt open, schept ruimte, verheldert het hoofd, geeft innerlijke rust. Het hoofd kan leeg worden. Het geeft gemoedsrust en energie. Het is een totaalervaring die je terugbrengt in het hier en nu.

Hieronder vind je citaten over wat wandelen met mensen doet. Als je zelf mooie citaten over wandelen of pelgrimeren hebt, mail ze dan.

Wandelen is geen sport: het is het tegendeel van prestatiegericht lopen. Wandelen koestert traagheid en eentonigheid, het zoekt eenzaamheid op, bevordert de dialoog tussen lichaam en ziel, en confronteert ons met onze eigen nietigheid en met de eeuwigheid van het landschap. Het is een daad van vrijheid, meer zelfs, van rebellie. (Frédéric Gros)

Niet alleen met de aarde, maar ook met elkaar voelen wij ons door al dat wandelen verbonden. Wij weten ons door de aarde gedragen, en door elkaar. Een mens vertrouwt zijn medemens gemakkelijker iets toe wanneer er samen wordt gewandeld. Uit diepe kamers borrelen woorden op. Of lang vergeten liederen. Er wordt gezongen. En ook dat is fijn. (Kristien Hemmerechts, in: Trouw, Letter&Geest, 27 augustus 2011, pag. 3)

Al wandelend praat je anders: vrijer, ruimer, twijfelender. Dat is veel boeiender dan hapklare verhalen waar niet meer verder over te praten valt. Wat aan tafel een zekerheid lijkt, kan al lopend ineens ter discussie komen. Zij vindt het fijn dat je elkaar tijdens een wandeling niet continue aankijkt. Dat is beter voor het ‘nandenkgesprek’. Regen, wind of zon hebben letterlijk invloed op hoe je je voelt. Buiten kom je op andere gedachtes door wat je ruikt, door verschillen in temperatuur. En natuurlijk krijgen je ogen de mooiste decors te zien waar je doorheen wandelt. (Hella van der Wijst, in: Lopende Zaken, Nieuwsbrief Wandelnet, nr. 57 | september 2011, pag. 1)

Ik ben erachter gekomen, dat wandelen de meest natuurlijke manier is om met tijdelijkheid om te gaan. Door de technische mogelijkheden, de vervoermiddelen, krijgen we als mens steeds meer haast. We worden steeds ongeduldiger, we vinden dat de tijd te langszaam gaat. Een wandelaar heeft nooit haast. Wandelen is een prima manier om te onthaasten en om te gaan met stress. (Paul van Tongeren, in: Franciscaans Maandblad, 2010 – nr. 5, pag. 5 en 6)

Het wandelen tijdens zo’n tocht kent verschillende aspecten: je bent heel lijfelijk bezig, in de buitenlucht, maar ook het spirituele aspect. Door het lopen daal je vanzelf af in je binnenste. Het is meditatief. Je stelt jezelf open. Wat zich gaandeweg voltrekt / in de ziel van de pelgrim / is niet een toenemend verlangen / naar het bereiken van het reisdoel / maar de overgave aan de ruimte / aan de kiezels op het pad / het besef van niet weten/ het afdalen in de leegte. (Hélène Bontjer, in: Franciscaans Maandblad, , 2010 – nr. 10, pag. 12)

De tocht was soms best zwaar, maar door te lopen kun je letterlijk en figuurlijk veel achter je laten. (Emile Gerards, in: franciscanen.nl, jaargang 5, nummer 6, november/december 2010, pag. 12)

Wandelen gaat gelijk op met je denken en je lichaam bewegen. Je merkt dat het tempo waarmee je loopt gelijke tred met je gedachten houdt. Als je je verplaatst in een auto, gaat dat heel snel, terwijl je lichaam eigenlijk niets doet. Doe je wel iets, nadenken over iets, dan wordt het juist gevaarlijk. Dat hoort dus niet bij elkaar. Maar een wandelaar kan lopen en tegelijkertijd zijn omgeving aanschouwen. Kijken hoe mooi de natuur is. Daarom is wandelen ook geheel iets anders dan joggen of rennen, want dan kun je niet tegelijkertijd denken. (Paul van Tongeren, in: Franciscaans Maandblad, 2010 – nr. 5, pag. 6)

Wandelen is een vorm van luchten van de ziel. Terwijl je voeten meer greep op het pad krijgen, vliegen je gedachten steeds verder weg. (Joke J. Hermsen, in: LDN711, 29 oktober 2010, pag. 11)

Wandelen is een manier om bezield te raken. Ik heb zelf tijdens het schrijfproces (van ‘Windstilte van de ziel’) een stukje van de pelgrimsroute naar Santiago de Compostela gelopen. Tijdens het dagen achterheen wandelen leek mijn ziel meer ruimte te krijgen om zijn vleugels uit te slaan. Na een paar uur wandelen lijkt het alsof je dat lopen zélf bent geworden, zit je in een ritme dat je niet opjaagt of ophoudt, maar dat precies past bij de beweging van het lopen. Terwijl je voeten steeds meer grip op het pad krijgen, vliegen je gedachten steeds verder bij je vandaan. Wat overblijft zijn vage sensaties van licht, lucht en aarde, en vluchtige mijmeringen over de route of over de pelgrims van eeuwen geleden, totdat ook die verdwijnen en het net lijkt alsof je een tijdje volstrekt gedachtenloos bent geweest. En dat werkt louterend. Wandelen is een vorm van luchten van de ziel. Het leek of hij door deze tocht, hoe zal ik het zeggen, weidser was geworden, of hij meer ruimte had gekregen. Ook daarna nog liet hij bij alles wat ik deed, zag, voelde of dacht, beter van zich spreken en dat alleen al geeft meer glans aan de wereld. (Joke J. Hermsen, in: Happinez, nummer 7 – 2010, pag. 28)

Mensen ontmoeten tijdens een wandeling is een prettige en ongedwongen manier om contact te maken. Je loopt even met iemand, dan loop je weer eens naast een ander. En soms ontstaat er iets: vriendschap of meer….. (Saskia Obdeijn)

Wandelaars leven bij het moment. (Peer Witsel)

Wandelen met God
zonder woorden
elkaar begrijpen
één zijn
voeten op de aarde
kruin naar de hemel
hart dat warm klopt.

Tijdens lange voettochten blijkt dopamine een meetbaar gunstig effect te hebben op de stemming, het lichamelijk en geestelijk welbevinden van de wandelaar. (Ineke Albers, in: Nestor, maart 2008, pag. 59)

Het eerste stukje lopen is voor de conditie, het tweede voor de geest. (Jeroen van der Veer, in: het Financieele Dagblad, 8 november 2008, pag. 17)

Het besef: Wij waren
Er even bij –
Een voetstap
Die geen echo achterlaat.
(laatste regels van het gedicht ‘Na de zomer’ van Jan Wolkers)

Wandelen houdt je lichaam zoet, je geest hoeft zich niet om je lichaam te bekommeren. Ook vormt wandelen voor je hersenen het ideale tempo. Het begrip wandelgangen heet niet voor niets zo, rengangen bestaan niet. (Midas Dekker in Op Lemen Voeten 2007-3)

Alleen gedachten die ons tijdens het wandelen invallen zijn waardevol. (Nietzsche)

Wandelen is als schrijven met een vulpen in plaats van op de PC. De woorden worden voorzichtig aan het papier toevertrouwd. Iedere stap die je zet aan de aarde toevertrouwen geeft een andere beleving van gehaast over een landgoed gaan. De ziel gaat te voet. (Gijs Spiekermann en Alphons van Nispen, in Oblatenblad van de Willibrordusabdij, najaar 2007, pag. 4)

Niks denken is ook een vorm van denken. Wandeldenken. Met een hoofd vol ruimte voor alles. (Joyce Roodnat, in: Wandelkrant ‘te voet’, september 2007)

Een voettocht van duizend kilometer begint met één stap. (Lao Tse)

Ik hoef jou niet te vertellen wat lopen en langer doorlopen met je doet. Dat weet jij zelfs nog veel beter dan ik. Hoewel het de langzaamste manier van vervoer is, voel ik me veel zelfstandiger dan voorheen. Krachtiger-in-mezelf. Tegelijkertijd nog steeds open naar anderen. (Suzanne, die pas na haar 40ste echt leerde lopen)

Ik heb geleerd om vooral te genieten van wat wij nu doen. Vandaar ook dat ik nu zeg: liever rustig die berg op wandelen, dan keihard rennen en straks dood neervallen. (Zanger Joost Marsman van IOS, in: Metro, 20 november 2007, pag. 25)

Ik loop mezelf elke dag tot een staat van welbevinden, weg van elke ziekte: ik ben al lopend tot mijn beste gedachten gekomen en ik ken geen gedachte zo bedrukkend of men kan er wel van weglopen. Dus als men gewoon blijft lopen, komt alles vanzelf in orde. (Filosoof Søren Kierkegaard, 1813-1855)

Het gaan verheldert het hoofd. Geen enkele depressie is opgewassen tegen een wandeling van dertig kilometer. De schroomvallige muze komt, in tegenstelling tot de horizon, steeds dichterbij. (Rommert Boonstra)

Vandaag ben ik langer geworden omdat ik met de bomen gewandeld heb. (Karle Wilson Baker)

Peinzend met de voeten. Alleen in de stilte van de natuur wordt de wereld teruggebracht tot leefbare proporties. Vrolijk op weg van het ene zwarte gat naar het andere. (Rommert Boonstra)

Ik geniet van wandeltochten en stilteweken of weekends. De bijbel, stilte en de natuur zijn daarbij mijn handvaten om God en mezelf beter te leren kennen. (Tonnie van Dijk)

Drugs zijn voertuigen voor mensen die vergeten zijn hoe ze moeten lopen. (Bruce Chatwin)

Al lopende heb je veel tijd om na te denken. Dat heeft me belangrijke inzichten opgeleverd over hoe keuzes te maken. Ik was vertrokken met het idee dat deze tocht me kon helpen uit te vinden wat ik precies wil, maar ik heb al lopende geleerd dat ik dat helemaal niet hoef te weten. Het leven is niet zo zwaar als ik altijd had gedacht. Als je kunt openstaan voor het onverwachte dan is het leven veel bijzonderder. Dan kun je meer genieten van het leven. (Ariena dos Reis Chantre, in: Trouw, 26 juli 2007, De Verdieping, pag. 6)

Als wandelaar zonder iets voel je je bijna naakt. Maar het landschap vergoedt veel. De weg begint nu echt te kronkelen, het lijkt soms wel of je teruggaat. Achter elke bocht wacht een grote of kleine verassing. (Midas Dekkers, in: Spoor, voorjaar 2007, pag. 24)

Voor wie niet weet waar hij naartoe wil, zijn alle wegen goed. (Chinees gezegde)

Wandelen is een voorschot nemen op terugverlangen. Uitgestelde weemoed. We kijken niet naar het moment waarop we ergens aankomen, maar naar het moment dat we weer vertrekken. (René Snoek in: Op Pad, dec. 2006)

Het wezenlijke van een pelgrimstocht is het onderweg zijn naar een doel. Maar de weg op zich is ook een doel. Je komt tot rust, je bezint je en hebt aandacht voor elkaar. (Mark-Robin Hoogland, in: Trouw, 19 maart 2007, De Verdieping, pag. 4)

Als je schoenen afgedragen zijn, is de kracht van het leer in je lichaamsvezels overgegaan. Ik meet gezondheid af aan het aantal schoenen dat iemand versleten heeft. (Ralp Waldo Emerson)

Lopen door een bos is rustgevend. Lopen door de P.C. Hooftstraat is niet rustgevend. Het is hooguit leuk. Je hebt bos, heide, weiland en strand nodig om tot rust te komen, om weer energie te krijgen, zodat je er weer tegen kunt als je de stad in moet. We hebben dus heel veel natuur nodig. (Erwin Kroll, in: Natuurbehoud, nr. 4, winter 2007, pag. 25)

De natuur werkt psychologisch rustgevend omdat wij zelf ook natuur zijn. Wij maken daar deel van uit. Mensen hebben respect voor de natuur omdat het een leefwereld is waar ze zelf bij horen. Binnen of buiten zijn is dan ook heel verschillend. Het voordeel van buiten zijn is dat je een andere atmosfeer voelt. Er is meer ruimtelijkheid en dan zie je de dingen vanuit een ander perspectief. Onder de blote hemel laten mensen hun gevoelens makkelijker naar boven komen (Joop van Aert, in: KRO Wandelen, oktober 2006, pag. 2)

Niemand verdwaalde ooit op een rechte weg. (Goethe)

Mensen maken vaak een pelgrimstocht als ze een belangrijk besluit moeten nemen, of als ze een periode willen afsluiten. Tijdens de reis onthaasten mensen, maken ze hun hoofd leeg en raken ze dieper aan de kern van hun leven. Alle zintuigen gaan open, voor ontmoetingen met anderen, de natuur en niet te vergeten het weer. We zijn zo gewend altijd in de auto te kruipen en niet te ervaren of het regent of hagelt, of het waait of warm is. Maar ben je te voet of op de fiets onderweg, dan bepaalt het weer wat je wel en niet kunt doen. Pelgrimeren maakt je aardser en hemelser tegelijk, vertellen pelgrims. De ervaringen hebben grote invloed op het verdere leven. (Joke Litjens)

Waarom is het toch zo prettig om te gaan wandelen als je een lastige knoop moet doorhakken. Of als je orde in je chaotische gedachten wilt scheppen. Waarom knap je zo op van het lopen in de buitenlucht als je je emoties even niet kwijt kunt. Zelfs als je géén probleem hebt, werkt het ontspannend. Wandelen is geen wondermiddel, maar de kans dat onderweg de storm in je hoofd gaat liggen, is groot. (Joop van Aert, in: KRO Wandelen, oktober 2006, pag. 6)

Met wandelen word je oud. (Hindoestaans gezegde)

Wandelen kan intimiteit bevorderen; ongebruikelijke onderwerpen komen sneller ter sprake. Dat je naast elkaar loopt en elkaar niet de hele tijd aankijkt maakt het gemakkelijker om open te zijn. Maar er is niks mis met het praten over koetjes en kalfjes hoor. Dat maakt het gesprek menselijker. Het kan een ontspanningsmoment zijn in de overgangt naar een zwaarder onderwerp. Een goed gesprek is als een goed gerecht, er zitten van allerlei smaken in. Wandelen moet je doen om te genieten en alle gunstige bijwerkingen zijn mooi meegenomen. (Joop van Aert, in: KRO Wandelen, oktober 2006, pag. 8)

Voor de oplossing van een probleem is het belangrijk dat je het anders gaat dóen en niet in je hoofd blijft zitten. Als je je somber voelt of angstig, moet je van die passiviteit of dat vermijdende gedrag af. Wandelen kan een veranderingsproces op gang brengen. (Joop van Aert, in: KRO Wandelen, oktober 2006, pag. 8)

Vleugels voor de engelen, maar voeten voor de mensen. (Josiah Gilbert Holland)

Als je wandelt, voel je je veel vrijer en dan gaan je gedachten allerlei kanten op. Je bent eerder geneigd iets te vertellen wat nog niet helemaal uitgekristalliseerd is. Precies dat gebied waar nog twijfel is, dat interessante dingen. (Hella van der Wijst, in: Vier! Pinksteren 2006, juni 2006, pag. 30)

Wanneer wij te opgewonden zijn, dan is het beter om de onrust eerst eens te verdrijven door een vrij grote wandeling te maken of door hard te lopen in het bos. Tijdens het wandelen kun jij je bevrijden van je innerlijke onrust, van problemen waardoor jij je opgejaagd voelt. De Deense godsdienstfilosoof Sören Kierkegaard heeft ervaren dat hij elke vorm van verdriet kan verdrijven door te wandelen. Ook door rustig te lopen kun jij je bevrijden van datgene wat jou bezighoudt. Dat kan echter niet lukken wanneer jouw joggen wordt gekenmerkt door een innerlijke drang om te presteren, wanneer jij steeds uitsluitend de kilometers telt die jij je als minimale hoeveelheid hebt voorgenomen. Je moet je helemaal overgeven aan de beweging. Wanneer jij je lichaam beweegt, neem je de innerlijke opwinding over en breng je deze tot rust. Wanneer je na een wandeling in de kamer gaat zitten om te mediteren, dan ben je veel rustiger dan daarvoor. Alle innerlijke onrust is verdwenen. Juist in onze jachtige wereld hebben wij concrete methoden nodig om onze onrust te verdrijven. Dat kan naast wandelen of joggen ook werken in de tuin zijn. Wanneer je met je lichaam innerlijk stoom afblaast, kun je naderhand veel rustiger zijn. (Anselm Grün, Het kleine boek Geluk, Stoom afblazen, Tielt, 2004, pag. 168-169)

Het tempo van mijn ziel lijkt als ik aan de wandel ben nogal woordeloos. (Kitty Hendriks)

Ik ging wandelen. Plotseling stond ik stil en was ik vervuld van de gedachte dat ik geen lichaam en geest had. Ik zag alleen maar één groot verlicht Geheel. (Han-Shan, 16de-eeuwse Zen-geleerde)

Doe ik iets aan wandelen? Het houdt niet over. In Noord-Frankrijk doe ik weleens iets dat je wandelen zou kunnen noemen, maar ik kom er te weinig. Toch staan mijn benen niet stil. In steden leg ik vaak grote afstanden te voet af, maar dat zou ik geen wandelen willen noemen. Het is lopen wat ik dan doe. (Remco Campert, CAMU Over wandelen, in: De Volkskrant, 31 oktober 2003)

Ik heb wel eens geschreven: als God helpt, helpt een lange wandeling ook. Mij helpt die lange wandeling. Om tot rust te komen, om vrede te vinden. En het helpt bij het schrijven, wat toch mijn belangrijkste bezigheid in dit leven is. Buiten zijn, contact met het weer, met de bomen, de dieren – als ik nu zeg dat het voor mij een religieuze bezigheid is, zie ik sommige mensen zich al in de handen wrijven: aha dus Koos van Zomeren kan ook niet zonder! Maar het vervult voor mij niet meer dan die ene functie. Het is ook niet wat ik bedenk, het is wat ik doe. Uit het doen ontstaat het denken. Dát is de volgorde. Ik voel een zekere onrust – laten we het zo maar noemen – roep de hond, ga naar buiten, begin te lopen en langzaam maar zeker valt alles op zijn plaats. Dat wil zeggen: als ik op pad ben gegaan met de gedachte ‘Ik ben nu zestig en ik word geconfronteerd met de totale mislukking van alles wat ik gewild en gedaan heb’, dan is mijn leven, na die boswandeling nog steeds mislukt, maar het kan me niets meer schelen. Met andere woorden: ik heb de gemoedsrust en de energie gevonden om ondanks de mislukking, door te gaan. (Koos van Zomeren, in: dagblad Trouw, 3 juni 2006, de Verdieping, pag. 9)

Wandelen is de beste medicijn. (Hippocrates)

Tijdens de wandeling valt alles op zijn plaats, de orde is volmaakt, niets van buitenaf kan deze orde verstoren, de wandelaar heerst over zijn universum (…). (Arnon Grunberg in NRC Handelsblad, geciteerd in Lopende Zaken, Nieuwsbrief Stichting Wandelplatform – LAW, nummer 36, juni 2006, pag. 4)

Wandelen is voor mij aandacht. Aandacht in het hier en nu. Daar waar ik loop. Daar waar ik ben. In figuurlijke en letterlijke zin. In rust, in zijn, intentie. Daar waar ik ben, in welk landschap, de plek, met haar geschiedenis, haar verhaal… Daar met wie ik ben, een ander, de Ander, een groep mensen, de schepping… Wandelen is rust, eenvoud, gemak. Ik ga niet hard, ik hoef niet snel. Bewust ga ik door het land, letterlijk, stap voor stap, en tegelijk, zeker bij langere tochten, ook figuurlijk. Wandelen doet me goed…
Wandelen is voor mij als pelgrim onderweg zijn. Christel

Alleen lopen in de stilte betekent veelal: Een confrontatie met jezelf. (J. Sochrost)

Wat doet wandelen mij? Het eenvoudigste antwoord is dat ik graag Nederland te voet leer kennen, genieten van mij gezondheid en levenslust. Maar ondertussen is het tot rust komen in mij en het lopen in Gods tuin/schepping en daarin ondergedompeld worden is wat mij gelukkig maakt, “opslurpen”, stil zijn op stille plekken; luisteren naar wat ik hoor. Wat ik in Amelisweerd ook deed. Daarom wil ik wandelen. (Wim van Gessel)

Om innerlijk tot rust te komen, maak ik mijn leven lang al wandelingen. (neuroloog-psychiater R. van Helsdingen, in: Natuurbehoud, jaargang 37, nr. 1 – 2006, pag. 40 en 41)

Merkwaardig vond ik dat het op zon- en feestdagen doodstil was; geen brom- en racefietsen, hoogstens enkele wandelaars kwam ik tegen. Ik besefte hoe gelukkig ik me voelde, even los van de spanning van mijn werk als neuroloog-psychiater en huiselijke zorgen en van alles wat ik zo nodig nog moest doen. Ik voelde me even opgenomen in een groter geheel, waarin ik ook mee mocht spelen, probeer er iets goeds van te maken met de kans op mislukking. Het zijn in de natuur geeft een gevoel van aanmoediging en geluk. (neuroloog-psychiater R. van Helsdingen, in: Natuurbehoud, jaargang 37, nr. 1 – 2006, pag. 41)

Pelgrimeren is bidden met je voeten. (citaat ingestuurd door Edin van der Ham)

Het gaan verheldert het hoofd. Geen enkele depressie is opgewassen tegen een wandeling van dertig kilometer. De schroomvallige muze komt, in tegenstelling tot de horizon, steeds dichterbij. (Rommert Boonstra)

De pelgrim loopt ter wille van het lopen. Hij loopt niet om aan te komen maar om te lopen. De pas wordt tot focus van de innerlijke concentratie. Reeds op een heel triviaal niveau vindt dat zijn neerslag in een rustgevende werking, zoals ook iedere wandelaar die kent. Aan het lopen zelf hoeven we niets toe te voegen. Wie één kan worden met zijn pas, kan één worden met God. (Willigis Jäger osb., Elke golf is de zee, mystieke spiritualiteit, Rotterdam, 2005, pag. 141)

God voltrekt zich in mijn lopen. Het is niet langer mijn lopen, het is het lopen van God. God loopt in ons over deze aarde. Zo wordt ons leven tot een heilige pelgrimstocht. (Willigis Jäger osb., Elke golf is de zee, mystieke spiritualiteit, Rotterdam, 2005, pag. 141)

Te druk om niet te wandelen. (in: EVA, 1-2006, pag. 72-73)

Nog steeds trekken er jongeren de wereld over met het verlangen die wereld te verbeteren, zegt ze. “Het zijn moderne pelgrims, zonder god of heilige. Ik ben ook zo iemand. Thuis word ik onrustig en dan ga ik op reis…” (Albertina Soepboer, in: NRC, 27 januari 2006)

Wandelen is een totaalervaring. Het is luisteren, geuren opsnuiven, voelen en zien. (Didi Joppe, in: KRO Wandelen | maart 2006, pag. 8-9 ).

Eén stap voorwaarts kan het begin van een wandeling zijn. (J. Sochrost)

Wandelen brengt je terug in het hier en nu, simpelweg omdat er niet méér is dan dat. (Didi Joppe, Het wonder van wandelen, 2006, pag. 23)

Ik ben geen wandelaar. Als ik loop, loop ik snel. Er zijn maar weinigen die mij kunnen bijhouden. Ik schep er genoegen in ergens aan te komen. De weg ernaartoe zie ik doorgaans als ene noodzakelijk oponthoud, dat ik zo kort mogelijk wil houden. Maar deze wandeltocht dwingt me tot rust. En niet alleen omdat de wallenkanten hier en daar – zeker halverwege de Botjeszee – zo schuin zijn, dat oplettendheid geboden is. Ik passeer nog diverse bruggen en picknickgelegenheden die speciaal voor mij lijken te zijn aangelegd, want nergens onderweg kom ik ook maar iemand tegen. (Arthur Japin, in: Spoor, maart 2006, pag. 16 en 18)

Door te wandelen krijg je een nieuwe kijk op jezelf en je levensvragen. Je kunt zelfs een nieuwe kijk krijgen op je eigen leven en toegang krijgen tot je eigen innerlijke stilte. Na een wandeling is het mogelijk je letterlijk bevrijd te voelen, alsof je met iedere voetstap een stukje ballast hebt achtergelaten. (Didi Joppe, Het wonder van wandelen, 2006, pag. 74)

Wil je iemand beter leren kennen, ga dan honderd kilometer met deze persoon wandelen. (J. Sochrost)

Je voeten brengen je overal naartoe. (Didi Joppe, Het wonder van wandelen, 2006, pag. 85)

Hier is de waterkant aanzienlijk dichter. Riet groeit er en – zo voel ik – ook distels en brandnetels. Met de bloeiende velden rondom op ooghoogte en het koele water binnen handbereik krijg je het gevoel op te gaan in de natuur. (Arthur Japin, in: Spoor, maart 2006, pag. 16)

De natuur is altijd in beweging. Of je nu ’s morgens vroeg wandelt of laat in de middag, elke keer is het licht weer anders. Er valt een bui of er staat een harde wind. Alle tijden hebben hun eigen schoonheid, er valt altijd iets te ontdekken. (Didi Joppe, Het wonder van wandelen, 2006, pag. 106)

Peinzend met de voeten. Alleen in de stilte van de natuur wordt de wereld teruggebracht tot leefbare proporties. Vrolijk op weg van het ene zwarte gat naar het andere. (Rommert Boonstra)

Door het lopen ontmoet ik je elke keer opnieuw, mijn beste reisgenoot. (Tagore)

De geest raakt pas in vervoering als het vervoer door de benen wordt geregeld. (Rommert Boonstra)

Wandelend is het lichaam in beweging: een beweging die ten eerste maakt dat het lichaam niet in de weg zit, en die ten tweede bij het tempo van het denken blijkt te passen. (Paul van Tongeren, Over het verstrijken van de tijd, Een kleine ethiek van de tijdservaring, Nijmegen, 2002, pag. 108).

Alleen wat onder ’t lopen is gedacht, heeft waarde. (Nietzsche die zelf gemiddeld dagelijks zes uur wandelde)

Wandelen – waarbij ik niet denk aan een blokje om, maar aan tochten van minimaal enkele uren, liefst dagen of weken – is zich bewegen niet alleen in de ruimte, maar ook in de tijd op een manier die zich doet ervaren als passend. Wandelaars kijken zelden op hun horloge. Ze weten hoe laat het is, niet alleen omdat ze de stand van de zon zien, maar ook omdat ze hun lichaam voelen. Het lichaam wordt zelf tijd, bijvoorbeeld door vermoeid te raken. De beweging van de wandelaar lijkt synchroon te lopen met de tijd. (Paul van Tongeren, Over het verstrijken van de tijd, Een kleine ethiek van de tijdservaring, Nijmegen, 2002, pag. 109 en 110).

Ieder pad, iedere straat in de wereld is uw meditatie-wandelpad. (Thich Nhat Hanh)

Wie een dag lang wandelt, begroet de frisse ochtend om een flinke klim te maken; hij weet rond het middaguur, dat alle dingen nog net in hun eigen schaduw passen, dat hij onder een boom de grootste hitte kan afwachten; en hoe rijk en diep het genot van een mooie wandeling ook moge zijn, aan het eind van de dag is de wandelaar blij dat hij de benen kan strekken en dat de dag erop zit. Dagen duren zelden te kort of te lang voor een wandelaar. De tijd van het wandelen past bij de tijd van de mens. Die tijd van het wandelen past ook bij zijn tijdelijkheid, zijn uitgestrektheid naar verleden en toekomst. Het verleden werkt door in de herinneringen die tijdens een wandeling onwillekeurig opkomen; het wordt als vanzelf omgezet in gedachten, reflecties op wat gebeurd is, die het gebeurde als het ware wegen en zeven en toetsen op mogelijkheden om iets te zeggen wat algemener is en wat naar de toekomst toe betekenis heeft. Wie stil zit wordt afgeleid, wie snel beweegt moet teveel opletten of raakt gedesoriënteerd. De wandelaar gaat met zijn tijd mee, en kan daardoor aandacht opbrengen voor wat zijn eigen tijdelijkheid hem presenteert. (Paul van Tongeren, Over het verstrijken van de tijd, Een kleine ethiek van de tijdservaring, Nijmegen, 2002, pag. 111).

Taoïstisch lopen: wandelaar zonder sporen. (Alan Watts)

Je kunt goed nadenken onder het wandelen op een bochtige weg. Als je op een rechte weg loopt, loop je naar een punt. Eigenlijk wacht je tot je verdwijnt in dat puntje aan de horizon. Je gedachten gaan ook in een punt lopen. Van wijd naar nauw. Je gaat heel logisch denken. Zo van: hier is het begonnen en daar moet het eindigen. Het tussenliggende is niet van belang. Als je een kronkelpaadje volgt, denk je ook in kronkels. Dan mag je uitweiden, de wildste dingen erbij slepen, fantaseren en associëren. Dan hoef je niet meteen naar een logische conclusie toe. Dan komt het waarlijk denken pas. Je krijgt de ruimte om iets creatiefs te verzinnen, iets origineels. (Esther Bakker, in: Ik loop rond Abcoude en neem mee, Een korte geschiedenis van het wandelen, 2003).

Als je een keer begonnen bent met God te wandelen, dan wandel je maar door, het hele leven is dan één uit wandelen gaan. (Etty Hillesum, geciteerd in: Eva, 01-2006, pag. 72)

Wandelen haalt de haast uit je hoofd. (Trouw, 11 februari 2006)

The Camino brings you to whatever you’re running from. (citaat ingestuurd door Marieke Feuth).

Wandelen maakt het denken lichtvoetiger.

Wie loopt, verkeert op voet van gelijkheid met het landschap.

Lopen is een noodzaak voor me, het is de enige manier om een soort stilte te laten ontstaan van binnen.

Ik heb iets leuks ontdekt: Afdalen is pijnlijker dan klimmen.

Blij ga je op pad, voldaan kom je weer thuis en alle bomen van het veld klappen voor jou in de handen. (Jesaja 55, 12)

Onderweg met tien kilo bepakking. Het was zwaar, moeilijk en ver. Nu heb ik weer een huis vol spullen. En iedere dag heimwee… (José Vercoulen, in: Lopende zaken, nummer 32, juni 2005)

Pelgrimeren is een onderweg zijn, zeker in het alledaagse. (Mieke Dorssers)

Wat voor mij het ‘pelgrimsgevoel’ samenvat, is het volgende. De eerste week op het pad, reageren vrijwel alle pelgrims op de vraag of ze all the way tot Santiago gaan, met een volmondig ‘ja’. Maar later wordt dat ‘Insjallah’… als God het wil. En die nederigheid, die overgave aan wat op je pad mag komen, die overgave aan God, dat vertrouwen in Hem, dat is voor mij de Camino. (Marieke Feuth)

Niemand is zo eenzaam als de landschapsschilder. Zo is het nu eenmaal, daar is niets dramatisch aan. Je bent alleen met de natuur, teruggeworpen op jezelf. Je wordt nergens door afgeleid, je kunt je gedachten de vrije loop laten. Het is een vrijheid die inspirerend werkt. Soms kun je in de verte wel eens iemand zien lopen, een nevelige figuur, waar de eenzaamheid werkelijk vanaf straalt. Die persoon ervaart dat juist als een diep geluk. Het is zelfverkozen eenzaamheid. (Jan Wolkers, in: Spoor, voorjaar 2005, pag. 11)

We komen hijgend boven, maar al met al viel de klim mee. Het hart is alweer kalm en kan anderszins een sprongetje maken als we niet veel later voor de Mookerheide staan. Wat een pracht. We zijn er beduusd van. Er passeren enkele heuse wandelaars met een grotere rugzak, zwaarder schoeisel en een steviger pas, en dan is het landschap weer leeg. Leeg? Nee, natuurlijk is het niet leeg, wat een vreemd woord om te gebruiken bij allemaal te zien valt. Hei, brem, grassen, zandpaadjes, vogels, konijnen, hier en daar een vlaai van een Schotse Hooglander. Dit alles in een licht mistige, glooiende weidsheid, met hier en daar een berk of de donkere contouren van een eik. Een schilder kan hier overal gaan zitten om een fraai heidelandschap neer te zetten. Of hij wordt er gek van omdat hij niet kan kiezen, want als je om me geen kijkt is het allemaal even bekoorlijk. … De naam van deze heide moet dan ook met een dubbele o geschreven, zoals in droom en schoonheid. (Mensje van Keulen, in: Spoor, voorjaar 2005, pag. 16)

Ik kan er bij wijze van spreken verdriet uit lopen en geluk in lopen. Voor mij is wandelen een behoefte, het moet! Het is gezond en ik zie veel van de natuur. Ik geniet er intens van. Laatst liep ik met een vriend op de hei en aan de ene kant zag ik een rode zon ondergaan en aan de andere kant zag ik in het maanlicht dauw over de hei trekken. Ik kreeg echt tranen in mijn ogen van schoonheid. (Myrna Goossen, in: Buitenleven, 2005 maart/april, pag. 39)

Hoe het komt weet ik niet, maar eenmaal in de natuur vallen de gewone beslommeringen altijd snel van mij af. Dat maakt het buiten zijn tot zo’n bevrijdende ervaring, vooral als de cadans van het bewegen de geest nog verder ontledigt. De gedachten maken zich los van de alledaagse problemen, stijgen daar eerst boven uit, vervagen dan, en houden ten slotte geheel op: vanaf dat moment ben je alleen nog maar aan het kijken, ruiken en je plaats en richting bepalen – dan ben je niet meer mens dan anders, maar juist een stuk minder, reden waarom we er zo naar verlangen. (Thomas Rosenboom, in: Spoor, voorjaar 2004, pag. 16)

Al moet St. Maarten een mantel dragen, hij moet toch wandelen in zomerse dagen. (weerspreuk)

Wandelen is aan de maatschappij ontsnappen. Niemand kan je bereiken. Niemand weet waar je bent. Dat is prettig. Je loopt in een heerlijk nirvana, je gedachten gaan niet ver. Je observeert wel, maar je denkt niet. Je maakt je geen zorgen over de toekomst, je denkt niet over het verleden, je bént in de tijd. Dát is het fijne van wandelen. (J.J. Voskuil, in: Trouw, 19 juni 2004, pag. 29)

Met de paarden van Sint Franciscus. (Vlaamse uitdrukking voor te voet gaan)

Als ik wandel, in het bijzonder tijdens een pelgrimage, sta ik wijd open voor het leven en onderwerp ik me aan de ‘wil’ van het pelgrimspad. Als je reist, reis je in wezen door jezelf, weet je. Daarom ben ik er zo verslingerd aan. (Shirley MacLaine, in: Happinez, jaargang 2, nummer 3, pag. 23)

Gaandeweg verandert het landschap. (Donne Schmaal)

Al lopende ontdekte ik, dat ook ík met de stoet van bekenden en onbekenden meeliep, soms langzaam, dan weer wat vlugger, soms blij, dan weer verdrietig, ontroerd of bezorgd. In mijn diepste innerlijk voelde ik een plaats, als een immens plein, waar allen verenigd werden. Nee, er was geen afstand. Al pelgrimerend mocht ik steeds dieper in de grenzeloosheid van ons aller bestaan binnentreden. (Ricky Rieter, Pelgrimeren, lopend stilstaan, spiritualiteit van een pelgrim, 1997, pag. 14)

Thans wandel ik vrij voor Gods aanschijn in het land waar de levenden zijn. (psalm 116, vers 9)

Wijs dan, Heer, mij uw weg, dat ik wandelen mag in uw waarheid. (psalm 86, vers 11)

Gelukkig de mensen die sterk zijn in U, met de pelgrimsweg in het hart (psalm 84, vers 6)

Het eindpunt kan nooit zo interessant zijn als de weg ernaartoe. (Zen)